Spreidingsmaten zijn statistische begrippen die aangeven hoe de waarnemingsgetallen in een dataset verspreid zijn. Ze geven je een idee van de variatie binnen je gegevens. De belangrijkste spreidingsmaten die je leert, zijn kwartielen, spreidingsbreedte en kwartielafstand.
-
Kwartielen: Dit zijn waarden die je dataset verdelen in vier gelijke delen, nadat je alle waarnemingsgetallen van laag naar hoog hebt geordend.
- Q1 (eerste kwartiel): Dit is de mediaan van de eerste helft van de waarnemingsgetallen.
- Q2 (tweede kwartiel): Dit is de 'gewone' mediaan van alle waarnemingsgetallen.
- Q3 (derde kwartiel): Dit is de mediaan van de tweede helft van de waarnemingsgetallen.
-
Spreidingsbreedte: Dit is een eenvoudige maat die de totale variatie in een dataset weergeeft. Het geeft het verschil aan tussen de hoogste en de laagste waarde in die dataset.
- Hoe bereken je de spreidingsbreedte? Je berekent de spreidingsbreedte door de laagste waarde van de hoogste waarde af te trekken.
- Formule: Spreidingsbreedte=Hoogste waarde−Laagste waarde
- Voorbeeld: Stel, de cijfers van een wiskundetoets variëren van een 4 (laagste cijfer) tot een 10 (hoogste cijfer).
De spreidingsbreedte bereken je dan als volgt:
Spreidingsbreedte=10−4=6.
Dit betekent dat er een verschil van 6 punten zit tussen het laagste en het hoogste cijfer in deze dataset.
-
Kwartielafstand: Dit is het verschil tussen het derde kwartiel (Q3) en het eerste kwartiel (Q1). Het bekijkt de spreiding van de middelste 50% van de waarnemingsgetallen, waardoor extreme uitschieters minder invloed hebben.
- Formule: Kwartielafstand=Q3−Q1