Het Hardy-Weinberg principe beschrijft de relatie tussen allelfrequenties en genotypefrequenties in een populatie die in evenwicht is. De formule die je gebruikt om genotypefrequenties te berekenen is:
p2+2pq+q2=1
Hierin staat:
- p: de frequentie van het dominante allel.
- q: de frequentie van het recessieve allel.
- p2: de frequentie van het homozygote dominante genotype (bijvoorbeeld AA of HH). Dit is het percentage individuen in de populatie met twee dominante allelen.
- q2: de frequentie van het homozygote recessieve genotype (bijvoorbeeld aa of hh). Dit is het percentage individuen in de populatie met twee recessieve allelen.
- 2pq: de frequentie van het heterozygote genotype (bijvoorbeeld Aa of Hh). Dit is het percentage individuen in de populatie met één dominant en één recessief allel.
De som van deze frequenties is altijd 1 (of 100%). Voordat je genotypefrequenties kunt berekenen, moet je vaak eerst de allelfrequenties (p en q) bepalen. De relatie tussen allelfrequenties is p+q=1.
Voorbeeld 1: Muizen met haarlengte
Stel, in een populatie muizen is kort haar (H) dominant en lang haar (h) recessief. Je hebt eerder berekend dat de allelfrequentie van het dominante allel H (p) 0,7 is en de allelfrequentie van het recessieve allel h (q) 0,3 is.
Nu wil je de genotypefrequenties berekenen:
-
Frequentie van homozygoot dominant (HH):
Dit is p2.
p2=(0,7)2=0,49
Dit betekent dat 49% van de muizen het genotype HH heeft. Als de totale populatie 100 muizen is, zijn dit 0,49×100=49 muizen.
-
Frequentie van homozygoot recessief (hh):
Dit is q2.
q2=(0,3)2=0,09
Dit betekent dat 9% van de muizen het genotype hh heeft. Als de totale populatie 100 muizen is, zijn dit 0,09×100=9 muizen.
-
Frequentie van heterozygoot (Hh):
Dit is 2pq.
2pq=2×0,7×0,3=0,42
Dit betekent dat 42% van de muizen het genotype Hh heeft. Als de totale populatie 100 muizen is, zijn dit 0,42×100=42 muizen.
Controle:
De som van de genotypefrequenties moet 1 zijn:
0,49(HH)+0,09(hh)+0,42(Hh)=1,00. Dit klopt.
Voorbeeld 2: Leeuwenbekjes met bloemkleur
Bij leeuwenbekjes zijn er twee allelen voor de bloemkleur: rode bloemen (R) en witte bloemen (r). Heterozygote planten hebben roze bloemen. Je hebt eerder berekend dat de allelfrequentie van het dominante allel R (p) 0,9 is en de allelfrequentie van het recessieve allel r (q) 0,1 is.
Nu wil je de genotypefrequenties berekenen:
-
Frequentie van homozygoot dominant (RR - rode bloemen):
Dit is p2.
p2=(0,9)2=0,81
Dit betekent dat 81% van de leeuwenbekjes rode bloemen heeft.
-
Frequentie van homozygoot recessief (rr - witte bloemen):
Dit is q2.
q2=(0,1)2=0,01
Dit betekent dat 1% van de leeuwenbekjes witte bloemen heeft.
-
Frequentie van heterozygoot (Rr - roze bloemen):
Dit is 2pq.
2pq=2×0,9×0,1=0,18
Dit betekent dat 18% van de leeuwenbekjes roze bloemen heeft.
Controle:
De som van de genotypefrequenties moet 1 zijn:
0,81(RR)+0,01(rr)+0,18(Rr)=1,00. Dit klopt.