Voordat we in de berekeningen duiken, herinneren we ons wat een cirkel precies is. Stel je een punt voor in het midden van een plat vlak: dat is het middelpunt. De cirkel bestaat uit alle punten die een gelijke afstand van dit middelpunt hebben. Deze afstand noemen we de straal. De afstand van de ene kant van de cirkel naar de andere, door het middelpunt heen, noem je de diameter. Onthoud: een straal is korter dan een diameter. Makkelijk te onthouden, toch? Straal heeft zes letters, diameter heeft er acht!

Hoe bereken je de oppervlakte van een cirkel?
Stel je voor dat je de oppervlakte van een cirkel wilt vinden. De oppervlakte is het aantal keer dat een vierkant met de zijde gelijk aan de straal in de cirkel past, maar dan anders berekend omdat een cirkel natuurlijk geen hoeken heeft. Die berekening wordt simpel met een speciaal getal: π (pi). Pi is ongeveer 3.14, maar heeft eigenlijk oneindig veel decimalen.
Nu de formule: de oppervlakte van een cirkel bereken je door de straal van de cirkel met zichzelf te vermenigvuldigen (dat noemen we de straal kwadraat) en dan te vermenigvuldigen met π. Dus, in wiskundetaal:
Aan de slag: Voorbeelden om zelf te proberen
•Voorbeeld 1: Als de straal 8 cm is, dan doe je 8 x 8 x π.
•Voorbeeld 2: Stel je hebt de diameter, zeg 12 cm, dan moet je eerst onthouden de straal is de diameter gedeeld door 2. Je doet 12 delen door 2 = 6. Dan doe je 6 x 6 x π.

Vergeet niet de eenheden (zoals cm² of m²) achter je antwoord te zetten!




