Leerdoelen
•Je kunt getallen afronden op decimalen.
Wat zijn decimalen?
Decimalen zijn de cijfers die je ziet na de komma in een getal. Bijvoorbeeld, in het getal 3,14 zijn 1 en 4 de decimalen. Als we zeggen dat we een getal afronden op één decimaal, dan bedoelen we dat we één cijfer na de komma behouden. Bij twee decimalen behouden we twee cijfers na de komma, enzovoort.
Afronden op één decimaal
Wanneer je een getal afrondt op één decimaal, kijk je naar het tweede cijfer na de komma. Dit cijfer bepaalt of het eerste cijfer na de komma hetzelfde blijft of omhoog gaat. Als het tweede cijfer lager is dan 5 wordt het naar beneden afgerond. Als het tweede cijfer 5 of hoger is, wordt het naar boven afgerond.
Voorbeeld 1: Het getal 7,14 wordt afgerond op 7,1.
Voorbeeld 2: Het getal 7,15 wordt afgerond op 7,2, omdat 5 het omslagpunt is.
Afronden op twee decimalen
Bij het afronden op twee decimalen kijk je naar het derde cijfer na de komma. Dit cijfer bepaalt of het tweede cijfer na de komma hetzelfde blijft of omhoog gaat. Als het derde cijfer 4 of lager is, wordt het naar beneden afgerond. Als het derde cijfer 5 of hoger is, dan wordt het naar boven afgerond.
Voorbeeld 1: Het getal 4,564 blijft 4,56.
Voorbeeld 2: Het getal 4,565 wordt 4,57, omdat 5 het omslagpunt is.
Belangrijke regels
Omslagpunt: Het cijfer 5 is het omslagpunt. Als het cijfer dat je bekijkt 5 of hoger is, rond je naar boven af.
Negeer extra cijfers: Cijfers na het cijfer dat je bekijkt, maken niet uit. Ze beïnvloeden het afronden niet.
Voorbeelden om te oefenen
Afronden op één decimaal:
6,91 wordt 6,9.
2,17 wordt 2,2.
2,64999 wordt 2,6.
Afronden op twee decimalen:
2,047 wordt 2,05.
6,46312 blijft 6,46.
0,3748 blijft 0,37.




