In de werktuigbouw moeten vaak metalen platen in een bepaalde hoek worden gebogen. Een van de technieken die daarbij worden gebruikt is vrijbuigen. Daarbij ligt de metalen plaat op een matrijs met een bepaalde vorm. Hierna wordt een stempel met kracht op de plaat gedrukt, zodat deze de gewenste vorm krijgt. In figuur 1 is dit in een vooraanzicht weergegeven. In figuur 2 zie je een voorbeeld van een metalen plaat na het buigen.


Tijdens het vrijbuigen treedt vervorming op: aan de buitenkant rekt het metaal iets op en aan de binnenkant wordt het samengedrukt. In het inwendige van de metalen plaat bevindt zich de neutrale lijn: de lengte hiervan blijft gelijk na vervorming. In deze opgave nemen we aan dat de dikte van de plaat bij het buigen gelijk blijft.
In figuur 3 is het vooraanzicht van een metalen plaat met een dikte van$d \mathrm{~mm}zowel vóór als na het buigen weergegeven. Wanneer de plaat wordt gebogen over een hoek van$45^{\circ}, verandert rechthoek$A B C Din de vorm$A^{\prime} B^{\prime} C^{\prime} D^{\prime}. Hierbij is boog$C^{\prime} D^{\prime}de boog van een cirkel met middelpunt$Men straal$2 den$A^{\prime} B^{\prime}de boog van een cirkel met middelpunt$Men straal$3 d. De neutrale lijn$P^{\prime} Q^{\prime}is een cirkelboog op een afstand van$0{,}4 dvan boog$C^{\prime} D^{\prime}. Verder geldt dat de lengte van de neutrale lijn gelijk blijft, dus de lengte van boog$P^{\prime} Q^{\prime}is gelijk aan de lengte van$P Q.


