In de zesde eeuw voor Christus vonden de Grieken de bouwkraan uit, waarmee je zware voorwerpen kunt optakelen.
In de figuren 1a tot en met 1d zie je dat een blok wordt opgetakeld enmeter verderop op een stapel blokken wordt neergelaten.

De kraan bestaat uit:
•een paal$R Qvanmeter, die kan scharnieren om$R;
•een kabel$P Qmet een lengte die aangepast kan worden;
•een kabel recht omlaag vanuit$Qmet een lengte die aangepast kan worden.
Verder geldt:
•de afstand tussen$Pen$Rismeter;
•het te verplaatsen blok hangt aan de kabel ergens onder$Q.
De verplaatsing gaat als volgt:
•Het blok in figuur 1a takelt men omhoog door de kabel onder$Qkorter te maken. Hierdoor ontstaat de situatie van figuur 1b.
•Vervolgens maakt men kabel$P Qlanger, waardoor paal$R Qlinksom scharniert en het blok naar links beweegt. Zo ontstaat de situatie van figuur 1c.
•Ten slotte laat men het blok recht omlaag zakken door de kabel onder$Qweer langer te maken. Zo ontstaat de situatie van figuur 1d.
In figuur 2 zie je de situatie van de figuren 1a en 1b schematisch weergegeven. Het punt op de grond recht onder puntQ!, noemen weS. Ergens op lijnstukQSQbevindt zich het midden van het blok.

Als de bouwkraan zich in de situatie van de figuren 1a en 1b bevindt, is de lengte vanPQPgelijk aan121meter.$\angle S R Qis dan afgerond717graden. Deze hoek kan nauwkeuriger berekend worden.

