




Het hart pompt bloed door het menselijk lichaam. Als het hart samentrekt, wordt bloed in de bloedvaten gepompt, met als gevolg dat deze onder druk komen te staan. Als het hart zich weer ontspant, neemt de druk in de bloedvaten weer af.
Dit proces herhaalt zich voortdurend en het aantal keren per minuut dat dit gebeurt, noemen we de hartslag. Tijdens dit proces neemt de druk in de bloedvaten dus steeds toe en weer af. De hoogste druk wordt de bovendruk genoemd en de laagste druk noemt men de onderdruk. Van een bepaalde persoon is in figuur 1 de bloeddruk uitgezet tegen de tijd.

Als model van de bloeddruk wordt vaak een sinusoïde van de vorm$P=a+b \sin (c \cdot t)gebruikt. Hierin is$Pde bloeddruk,$tde tijd in seconden en zijn$a, ben$cconstanten. Deze constanten zijn afhankelijk van de hartslag en worden zo gekozen dat maximum en minimum van de sinusoïde overeenkomen met bovendruk en onderdruk.
Een tweede persoon heeft een hartslag van 66 slagen per minuut. Zijn bovendruk is 124 en zijn onderdruk is 82.
Stel een formule voor$Pop van de bloeddruk van deze persoon, horend bij het model van de sinusoïde.
Op deze pagina behandelen we vraag 14 van het centraal examen wiskunde A vwo 2022 – tijdvak 1. Deze vraag is onderdeel van Bloeddruk, en is 4 punten waard.
Je kunt hier zelf het antwoord invullen en vervolgens direct de uitwerking en uitleg bekijken.
Daarnaast kun je: