Vraag 22
Met opgeheven hoofd je examens in
  • Oefen de examens van de afgelopen 8 jaar, met uitleg van docenten bij elke vraag
  • Extra uitleg en oefenen bij elk onderwerp uit je examen
  • Loop je vast? Ainstein, je AI-tutor, kijkt met je mee en helpt je verder
3 punten
Open vraag

In de tabel zie je voor 2015 en 2016 onder andere het aantal bezorgde brieven/kaarten en de bijbehorende opbrengst. Dit is het totale bedrag dat aan postzegels is verkocht dat op al die brieven/kaarten is geplakt. De opbrengst in 2016 was lager dan die in 2015, ondanks de verhoging van de postzegelprijs van$€ 0{,}69naar$€ 0{,}73.

tabel

brieven/kaarten
jaar
aantal stuks (in miljoenen)
opbrengst (in miljoenen euro's)
postzegelprijs (cent)
2015
2401
1961
69
2016
2213
1877
73

Voor het versturen van brieven/kaarten tot20gram heb je1postzegel nodig. Voor het versturen van brieven/kaarten vanaf20gram tot50gram moet je2postzegels plakken, en vanaf50tot100gram3postzegels. Neem aan dat op alle brieven/kaarten maximaal 3 postzegels zijn geplakt.


Neem aan dat in 2016 op88\%van de brieven/kaarten1postzegel werd geplakt en op de overige brieven/kaarten2of3postzegels. Je kunt dan met behulp van de tabel de volgende vergelijking opstellen om het aantal brieven/kaarten met2postzegels te berekenen:

0{,}73\cdot1947{,}44+1{,}46\cdot x+2{,}19\cdot(265{,}56-x)=1877

Hierin is$xhet aantal brieven/kaarten met2postzegels in miljoenen.

Leg met berekeningen uit hoe je aan de getallen1947{,}44en1{,}46en2{,}19en265{,}56in deze vergelijking kunt komen.

Op deze pagina behandelen we vraag 22 van het centraal examen wiskunde A havo 2021 tijdvak 1. Deze vraag is onderdeel van Postzegels, en is 3 punten waard.

Je kunt hier zelf het antwoord invullen en vervolgens direct de uitwerking en uitleg bekijken.

Daarnaast kun je:

  • Oude antwoorden terugzien
  • Extra uitleg vragen aan onze AI-hulp via de knop "Stel je vraag"
  • Klikken op de bijbehorende onderwerpen uit de examenroute om verdieping te vinden