Massa's van bouwstenen

Massa's van bouwstenen

Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 08:52
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Oefenen
Examentraining

Test je kennis met de examenvraag die aan dit onderwerp is gekoppeld.

Enkele keuze

Wat is de massa in atomaire massa-eenheid van een kalium-isotoop met 19 protonen, 20 neutronen en 19 elektronen?

Samenvatting

Leerdoelen

Je kunt uitleggen wat het gewicht van een atoom bepaalt.

Je kunt uitleggen waaruit de gemiddelde atoommassa bestaat.

Je kunt de massa van een molecuul berekenen aan de hand van relatieve atoommassa's.

De massa van een atoom

Een atoom bestaat uit drie soorten deeltjes: protonen, neutronen en elektronen. Als we kijken naar de massa van deze deeltjes, valt er iets op. De massa van een elektron is namelijk ongeveer tienduizend keer zo klein als die van een proton of een neutron. Dit betekent dat we de massa van de elektronen kunnen verwaarlozen wanneer we de totale massa van een atoom bepalen.

De massa van een atoom wordt dus vrijwel volledig bepaald door de protonen en neutronen die zich in de kern bevinden. Het totale aantal protonen en neutronen samen noemen we het massagetal van een atoom.

Een interessant feitje is dat een atoom even zwaar weegt als het bijbehorende ion. Of een atoom nu elektronen heeft afgestaan (positief ion) of opgenomen (negatief ion), de totale massa blijft hetzelfde. Dit komt doordat de massa van de elektronen, zoals eerder genoemd, verwaarloosbaar is.

Om een idee te geven van de minuscule massa's:

Een proton weegt ongeveer 1,67 x 10⁻²⁴ gram.

Een neutron weegt ongeveer 1,67 x 10⁻²⁴ gram.

Een elektron weegt ongeveer 9,11 x 10⁻²⁸ gram.

Omdat deze getallen zo klein zijn, gebruiken scheikundigen vaak een handigere eenheid: de atomaire massa-eenheid (u).

Een proton weegt 1 u.

Een neutron weegt 1 u.

Een elektron weegt 0 u (voor praktische doeleinden).

massa in gram
massa in u
Protonen
1,67 x 10-24
1
Neutronen
1,67 x 10-24
1
Elektronen
9,11 x 10-28
0

De gemiddelde atoommassa

Als je in het periodiek systeem kijkt, zie je dat de atoommassa's van elementen vaak geen hele getallen zijn. Neem bijvoorbeeld neon (Ne), dat een atoommassa van 20,18 u heeft. Dit lijkt vreemd, want protonen en neutronen wegen elk 1 u, en je kunt geen halve protonen of neutronen hebben. Hoe kan dit dan? Isotopen zijn atomen van hetzelfde element (dus met hetzelfde aantal protonen), maar met een verschillend aantal neutronen. Dit betekent dat ze een verschillend massagetal hebben.

Voor neon zijn er bijvoorbeeld drie belangrijke isotopen:

Neon-20 (met 10 protonen en 10 neutronen)

Neon-21 (met 10 protonen en 11 neutronen)

Neon-22 (met 10 protonen en 12 neutronen)

Deze isotopen komen niet allemaal in gelijke percentages voor in de natuur. De percentages waarin ze voorkomen, bepalen de gemiddelde atoommassa die je in het periodiek systeem vindt. Je kunt deze percentages en de precieze massa's van isotopen vinden in BiNaS-tabel 25A. Soms staat er geen percentage bij een isotoop; dit betekent dat deze isotoop in de natuur niet voorkomt, maar wel in een laboratorium gemaakt kan zijn.

De gemiddelde atoommassa is een gewogen gemiddelde van de massa's van alle isotopen, rekening houdend met hun natuurlijke voorkomen.

Rekenvoorbeeld: gemiddelde atoommassa van neon

Stel, de isotopen van neon hebben de volgende massa's en voorkomen:

Overzicht van drie isotopen van neon en hun voorkomen in de natuur
Overzicht van drie isotopen van neon en hun voorkomen in de natuur

De gemiddelde atoommassa bereken je dan als volgt: \frac{(19,99244\text{ u}\cdot90,48)+(20,99384\text{ u}\cdot0,27)+(21,99138\text{ u}\cdot9,25)}{100}=20,179\text{ u}\frac{(19,99244\text{ u}90,48)+(20,99384\text{ u}\cdot0,27)+(21,99138\text{ u}\cdot9,25)}{100}=20,179\text{ u}\frac{(19,99244\text{ u}\cdot90,48)+(20,99384\text{ u}\cdot0,27)+(21,99138\text{ u}\cdot9,25)}{100}=20,179\text{ u}\frac{(19,99244\text{ u}\cdot90,48)+(20,99384\text{ u}0,27)+(21,99138\text{ u}\cdot9,25)}{100}=20,179\text{ u}\frac{(19,99244\text{ u}\cdot90,48)+(20,99384\text{ u}\cdot0,27)+(21,99138\text{ u}\cdot9,25)}{100}=20,179\text{ u}\frac{(19,99244\text{ u}\cdot90,48)+(20,99384\text{ u}\cdot0,27)+(21,99138\text{ u}9,25)}{100}=20,179\text{ u}\frac{(19,99244\text{ u}\cdot90,48)+(20,99384\text{ u}\cdot0,27)+(21,99138\text{ u}\cdot9,25)}{100}=20,179\text{ u}\frac{(19,99244\text{ u}\cdot90,48)+(20,9938\text{ u}\cdot0,27)+(21,99138\text{ u}\cdot9,25)}{100}=20,179\text{ u}\frac{(19,99244\text{ u}\cdot90,48)+(20,993\text{ u}\cdot0,27)+(21,99138\text{ u}\cdot9,25)}{100}=20,179\text{ u}\frac{(19,99244\text{ u}\cdot90,48)+(20,9939\text{ u}\cdot0,27)+(21,99138\text{ u}\cdot9,25)}{100}=20,179\text{ u}\frac{(19,99244\text{ u}\cdot90,48)+(20,99395\text{ u}\cdot0,27)+(21,99138\text{ u}\cdot9,25)}{100}=20,179\text{ u}\frac{(19,99244\text{ }\cdot90,48)+(20,99395\text{ u}\cdot0,27)+(21,99138\text{ u}\cdot9,25)}{100}=20,179\text{ u}\frac{(19,99244\cdot90,48)+(20,99395\text{ u}\cdot0,27)+(21,99138\text{ u}\cdot9,25)}{100}=20,179\text{ u}\frac{(19,99244u\cdot90,48)+(20,99395\text{ u}\cdot0,27)+(21,99138\text{ u}\cdot9,25)}{100}=20,179\text{ u}\frac{(19,99244u90,48)+(20,99395\text{ u}\cdot0,27)+(21,99138\text{ u}\cdot9,25)}{100}=20,179\text{ u}\frac{(19,99244u*90,48)+(20,99395\text{ u}\cdot0,27)+(21,99138\text{ u}\cdot9,25)}{100}=20,179\text{ u}\frac{(19,99244u*90,48)+(20,99395\text{ }\cdot0,27)+(21,99138\text{ u}\cdot9,25)}{100}=20,179\text{ u}\frac{(19,99244u*90,48)+(20,99395\cdot0,27)+(21,99138\text{ u}\cdot9,25)}{100}=20,179\text{ u}\frac{(19,99244u*90,48)+(20,99395u\cdot0,27)+(21,99138\text{ u}\cdot9,25)}{100}=20,179\text{ u}\frac{(19,99244u*90,48)+(20,99395u0,27)+(21,99138\text{ u}\cdot9,25)}{100}=20,179\text{ u}\frac{(19,99244u*90,48)+(20,99395u*0,27)+(21,99138\text{ u}\cdot9,25)}{100}=20,179\text{ u}\frac{(21,99138\text{ u}\cdot9,25)}{100}=20,179\text{ u}(19,99244u*90,48)+(20,99395u*0,27)+\frac{(21,99138\text{ u}\cdot9,25)}{100}=20,179\text{ u}(19,99244u*90,48)+(20,99395u*0,27)+\frac{(21,99138\text{ }\cdot9,25)}{100}=20,179\text{ u}(19,99244u*90,48)+(20,99395u*0,27)+\frac{(21,99138\cdot9,25)}{100}=20,179\text{ u}(19,99244u*90,48)+(20,99395u*0,27)+\frac{(21,99138u\cdot9,25)}{100}=20,179\text{ u}(19,99244u*90,48)+(20,99395u*0,27)+\frac{(21,99138u9,25)}{100}=20,179\text{ u}(19,99244u*90,48)+(20,99395u*0,27)+\frac{(21,99138u*9,25)}{100}=20,179\text{ u}(19,99244u*90,48)+(20,99395u*0,27)+\frac{(21,99138u*9,25)}{10}=20,179\text{ u}(19,99244u*90,48)+(20,99395u*0,27)+\frac{(21,99138u*9,25)}{10}=20,179\text{ }(19,99244u*90,48)+(20,99395u*0,27)+\frac{(21,99138u*9,25)}{10}=20,179(19,99244u*90,48)+(20,99395u*0,27)+\frac{(21,99138u*9,25)}{10}=20,179u(19,99244u*90,48)+(20,99395u*0,27)+\frac{(21,99138u*9,25)}{1}=20,179u(19,99244u*90,48)+(20,99395u*0,27)+\frac{(21,99138u*9,25)}{\placeholder{}}=20,179u(19,99244u*90,48)+(20,99395u*0,27)+(21,99138u*9,25)=20,179u(19,99244u*90,48)+(20,99395u*0,27)+(21,99138u*9,25)/=20,179u(19,99244u*90,48)+(20,99395u*0,27)+(21,99138u*9,25)/1=20,179u(19,99244u*90,48)+(20,99395u*0,27)+(21,99138u*9,25)/10=20,179u (afgerond 20,18 u)

De massa's van moleculen

Nu we weten hoe de massa van een atoom wordt bepaald, kunnen we kijken naar de massa van een molecuul. Een molecuul is opgebouwd uit meerdere atomen. De molecuulmassa is simpelweg de som van alle relatieve atoommassa's (de gemiddelde atoommassa's uit het periodiek systeem) van de atomen in dat molecuul.

Voor veelvoorkomende stoffen zijn de molaire massa's al voor je uitgerekend en te vinden in BiNaS-tabel 99, zoals hieronder:

Molecuul
In g mol⁻¹ of g/mol
AgBr
187,77
Ag2CO3
275,75
AgCl
143,32
AgI
234,77
AgNO₃
169,87
Ag2O
231,74

Je kunt ze natuurlijk ook altijd zelf uitrekenen met behulp van het periodiek systeem.

Rekenvoorbeeld: molecuulmassa van glucose (C₆H₁₂O₆)

Om de molecuulmassa van glucose te berekenen, hebben we de relatieve atoommassa's nodig van koolstof (C), waterstof (H) en zuurstof (O) uit het periodiek systeem:

C: 12,011 u

H: 1,008 u

O: 15,999 u

Berekening: 6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(\text{massa H})+6\cdot(\text{massa O})=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(\text{massa H})+6\cdot(\text{massa })=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(\text{massa H})+6\cdot(\text{massa})=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(\text{massa H})+6\cdot(\text{mass})=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(\text{massa H})+6\cdot(\text{mas})=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(\text{massa H})+6\cdot(\text{ma})=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(\text{massa H})+6\cdot(\text{m})=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(\text{massa H})+6\cdot()=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(\text{massa H})+6\cdot(m)=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(\text{massa H})+6\cdot(ma)=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(\text{massa H})+6\cdot(mas)=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(\text{massa H})+6\cdot(mass)=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(\text{massa H})+6\cdot(massa)=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(\text{massa H})+6\cdot(massaO)=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(\text{massa H})+6(massaO)=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(\text{massa H})+6x(massaO)=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(\text{massa H})+6(massaO)=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(\text{massa H})+6*(massaO)=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(\text{massa })+6*(massaO)=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(\text{massa})+6*(massaO)=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(\text{mass})+6*(massaO)=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(\text{mas})+6*(massaO)=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(\text{ma})+6*(massaO)=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(\text{m})+6*(massaO)=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot()+6*(massaO)=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(m)+6*(massaO)=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(ma)+6*(massaO)=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(mas)+6*(massaO)=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(mass)+6*(massaO)=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(massa)+6*(massaO)=6\cdot(\text{massa C})+12\cdot(massaH)+6*(massaO)=6\cdot(\text{massa C})+12(massaH)+6*(massaO)=6\cdot(\text{massa C})+12*(massaH)+6*(massaO)=6\cdot(\text{massa })+12*(massaH)+6*(massaO)=6\cdot(\text{massa})+12*(massaH)+6*(massaO)=6\cdot(\text{mass})+12*(massaH)+6*(massaO)=6\cdot(\text{mas})+12*(massaH)+6*(massaO)=6\cdot(\text{ma})+12*(massaH)+6*(massaO)=6\cdot(\text{m})+12*(massaH)+6*(massaO)=6\cdot()+12*(massaH)+6*(massaO)=6\cdot(m)+12*(massaH)+6*(massaO)=6\cdot(ma)+12*(massaH)+6*(massaO)=6\cdot(mas)+12*(massaH)+6*(massaO)=6\cdot(mass)+12*(massaH)+6*(massaO)=6\cdot(massa)+12*(massaH)+6*(massaO)=6\cdot(massaC)+12*(massaH)+6*(massaO)=6(massaC)+12*(massaH)+6*(massaO)=(massaC)+12*(massaH)+6*(massaO)=6(massaC)+12*(massaH)+6*(massaO)=6x(massaC)+12*(massaH)+6*(massaO)=6(massaC)+12*(massaH)+6*(massaO)= 6\cdot12,011\text{ u}+12\cdot1,008\text{ u}+6\cdot15,999\text{ u}=612,011\text{ u}+12\cdot1,008\text{ u}+6\cdot15,999\text{ u}=6*12,011\text{ u}+12\cdot1,008\text{ u}+6\cdot15,999\text{ u}=6*12,011\text{ }+12\cdot1,008\text{ u}+6\cdot15,999\text{ u}=6*12,011+12\cdot1,008\text{ u}+6\cdot15,999\text{ u}=6*12,011u+12\cdot1,008\text{ u}+6\cdot15,999\text{ u}=6*12,011u+12\cdot1,008\text{ u}+6\cdot15,999\text{ u}=6*12,011u+12\cdot1,008\text{ u}+6\cdot15,999\text{u}=6*12,011u+12\cdot1,008\text{ u}+6\cdot15,999=6*12,011u+12\cdot1,008\text{ u}+6\cdot15,999u=6*12,011u+12\cdot1,008\text{ u}+615,999u=6*12,011u+12\cdot1,008\text{ u}+6*15,999u=6*12,011u+12\cdot1,008\text{ }+6*15,999u=6*12,011u+12\cdot1,008+6*15,999u=6*12,011u+12\cdot1,008u+6*15,999u=6*12,011u+121,008u+6*15,999u= 72,066\text{ u}+12,096\text{ u}+95,994\text{ u}=180,156\text{ u}72,066\text{ u}+12,096\text{ u}+95,994\text{ u}=180,156\text{ }72,066\text{ u}+12,096\text{ u}+95,994\text{ u}=180,15672,066\text{ u}+12,096\text{ u}+95,994\text{ u}=180,156u72,066\text{ u}+12,096\text{ u}+95,994\text{ }=180,156u72,066\text{ u}+12,096\text{ u}+95,994=180,156u72,066\text{ u}+12,096\text{ u}+95,994u=180,156u72,066\text{ u}+12,096\text{ }+95,994u=180,156u72,066\text{ u}+12,096+95,994u=180,156u72,066\text{ u}+12,096u+95,994u=180,156u72,066\text{ }+12,096u+95,994u=180,156u72,066+12,096u+95,994u=180,156u

De molecuulmassa van glucose is dus 180,156 u. Dit is de massa van één enkel glucosemolecuul.

Vaak werken we in de scheikunde met grotere hoeveelheden stof, uitgedrukt in mol. Eén mol van een stof bevat 6,022 x 10²³ deeltjes (de constante van Avogadro). De massa van één mol van een stof noemen we de molaire massa. De numerieke waarde van de molaire massa is gelijk aan de molecuulmassa, maar de eenheid is gram per mol (g/mol) in plaats van u. Voor glucose is de molaire massa dus 180,156 g/mol.

Wat bepaalt de massa van alles wat je om je heen ziet?

Alles om je heen, of het nu een vast, vloeibaar of gasvormig materiaal is, bestaat uiteindelijk uit atomen en moleculen. De massa van deze atomen en moleculen wordt op zijn beurt bepaald door de protonen en neutronen waaruit ze zijn opgebouwd.

Hoewel elektronen een cruciale rol spelen in de chemische eigenschappen en interacties van materie, is hun bijdrage aan de totale massa zo klein dat deze verwaarloosbaar is. Dus, de massa van alles om je heen wordt bepaald door de som van alle protonen en neutronen die erin aanwezig zijn.

Veelgestelde vragen
Bekijk ook
4,8

Voeg je bij ruim 80.000 leerlingen die al leren met JoJoschool

Helemaal compleet!

Alle informatie die ik voor mijn toetsen moet kennen is aanwezig, de powerpoints zijn duidelijk en makkelijk te begrijpen. De opdrachten passen altijd goed bij het onderwerp en ondersteunen goed bij het leren. JoJoschool is erg overzichtelijk voor mij!

Heel overzichtelijk

Ik gebruik het nu voor Biologie, het werkt ontzettend goed, het is heel overzichtelijk en alles wordt behandeld. Hoog rendement haal ik met leren, geen langdradige verhalen, maar ook niet te moeilijk. Het houdt ook automatisch bij hoe ver je bent.

Beter dan YouTube

Het is voor mij een erg goede manier om de leerstof voor toetsen te begrijpen. De video’s zijn een stuk duidelijker en beter dan de meeste video’s op YouTube.

Waarom kies je voor JoJoschool?

Hoger scoren

86% van onze leerlingen zegt hoger te scoren.

Betaalbaar en beter

Een alternatief op dure bijles, altijd uitgelegd door bevoegde docenten.

Sneller begrijpen

83% van onze leerlingen zegt onderwerpen sneller te begrijpen.

Ontdek JoJoschool 🎁

Met ons overzichtelijke platform vol met lessen en handige tools heb je alles voor school binnen handbereik. Maak je account aan en ervaar het zelf!

“Door JoJoschool kan ik makkelijker en beter leren” - Anne, 3 havo