Leg uit hoe je de persoonsvorm in de verleden tijd herkent. Geef een voorbeeld van een zin in de verleden tijd en geef aan wat de persoonsvorm is.
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen wat een persoonsvorm is.
•Je kunt de persoonsvorm herkennen.
•Je kunt de persoonsvorm juist spellen.
Wat is een persoonsvorm?
De persoonsvorm is een vervoegde vorm van een werkwoord die past bij het onderwerp van de zin. De persoonsvorm laat zien:
1.Wie of wat iets doet.
2.In welke tijd de zin staat.
Bijvoorbeeld:
•Ik fiets naar school (tegenwoordige tijd).
•Ik fietste naar school (verleden tijd).
Belangrijk: de persoonsvorm herken je door de zin in een andere tijd te zetten. Het woord dat verandert, is de persoonsvorm.
Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd (pvtt)
Enkelvoud
•Ik-vorm: je gebruikt de ik-vorm van het werkwoord.
Ik loop naar huis.
Loop je naar huis?
Let op: wanneer ‘je’ achter de persoonsvorm door ‘jij’ kan worden vervangen' voor correcte woordvolgorde gebruik je alleen de ik-vorm. Als ‘je’ vervangen kan worden door ‘jou’ gebruik je de ik-vorm+t.
•Ik-vorm + t: als het onderwerp jij, hij, zij of een naam is.
Jij loopt naar huis.
Loopt Jade naar huis? Let op: bij het werkwoord willen gebruik je geen extra t behalve als ‘jij’ voor het werkwoord staat:
Hij wil naar huis.
Wil je naar huis?
Jij wilt naar huis.
Meervoud
•Gebruik altijd de infinitief (het hele werkwoord):
Wij lopen naar school.
Jullie fietsen naar het park.
Persoonsvorm in de verleden tijd (pvvt)
Zwakke werkwoorden
Bij zwakke werkwoorden verandert de klank niet in de verleden tijd. Je schrijft:
•Ik-vorm + te of de (voor enkelvoud).
Ik hoopte op goed weer.
Hij haatte regen.
•Ik-vorm + ten of den (voor meervoud).
Wij hoopten op zon.
Gebruik het ‘t ex-kofschip (of ’t kofschaap) om te bepalen of je te of de schrijft. Eindigt de stam van het werkwoord op een van de medeklinkers in 't ex-kofschip, dan schrijf je te(n). Anders schrijf je de(n).
Voorbeelden:
•Werkwoord: werken → stam: werk → eindigt op k → werkte(n).
•Werkwoord: voelen → stam: voel → eindigt niet op ‘t ex-kofschip → voelde(n).
Sterke werkwoorden
Bij sterke werkwoorden verandert de klank in de verleden tijd. Schrijf de persoonsvorm zo kort mogelijk.
•Ik liep naar huis.
•Wij liepen samen.
•Andere voorbeelden:
•Zitten wordt zaten.
•Kopen wordt kochten.
Tips voor werkwoordspelling
•Gebruik de tijdproef: zet de zin in een andere tijd om de persoonsvorm te herkennen.
Zin: Ik vind dat die afbeelding morgen moet worden afgemaakt.
Tijdsproef: Ik vond dat die afbeelding gisteren moest worden afgemaakt.
Persoonsvormen: vind en moet.













