Vul in de volgende zinnen de juiste verwijswoorden in.
Kies uit: die, hun, zij, zijn, haar, dit en dat.


Wouter KosterVul in de volgende zinnen de juiste verwijswoorden in.
Kies uit: die, hun, zij, zijn, haar, dit en dat.
•Je kunt uitleggen wat verwijswoorden zijn.
•Je kunt de verschillende verwijswoorden opnoemen en toepassen.
Verwijswoorden verwijzen altijd terug naar één of meer woorden die eerder genoemd zijn, of verwijzen vooruit naar woorden die nog genoemd moeten worden. Het woord waarnaar ze verwijzen, noem je het antecedent. Verwijswoorden kunnen voornaamwoorden of bijwoorden zijn. Ze maken je teksten efficiënter door herhaling te vermijden.
•hij (pers. vnw.)
•hem (pers. vnw.)
•zijn (bez. vnw.)
•deze (aanw. vnw.)
•die (aanw. vnw.)
•zij (pers. vnw.)
•ze (pers. vnw.)
•haar (bez. vnw.)
•deze (aanw. vnw.)
•die (aanw. vnw.)
•het (pers. vnw.)
•zijn (bez. vnw.)
•dit (aanw. vnw.)
•dat (aanw. vnw.)
Het-woorden zijn onzijdig. Ze worden echter wel op de mannelijke manier vervoegd. De twee onderstaande categorieën zijn het-woorden en dus onzijdig:
1.Namen van landen, provincies, steden en clubs.
2.Verkleinwoorden (het-woorden).
Voorbeelden:
•“Het Nederland van vroeger heeft zijn onschuld verloren.”
•“Dit balletje is het kleinste dat ik kon vinden.”
Het kan soms lastig zijn om te bepalen of een de-woord mannelijk of vrouwelijk is. De volgende uitgangen duiden echter altijd een vrouwelijk woord aan: -heid, -iek, -nis, -eek, -ing, -teit, -st, -uur, -schap, -te, -de, -ie, -ij.
Voorbeelden:
•"Deze bibliotheek heeft haar collectie onlangs uitgebreid."
•"De natuur is in gevaar, ze heeft haar langste tijd gehad."
Zij/ze als onderwerp:
•Voorbeeld: “Zij hebben ons verraden.”
Hen als lijdend voorwerp of na een voorzetsel:
•Voorbeeld: “Hij is voor hen een held.”
Hun als meewerkend voorwerp of bezittelijk voornaamwoord:
•Voorbeeld: “Heeft iemand hun die brief gegeven?”
Wat gebruik je om te verwijzen naar dat of datgene.
•Voorbeeld: “Datgene wat je me toen vertelde, is me altijd bijgebleven.”
Wat gebruik je om te verwijzen naar een onbepaald voornaamwoord.
•Voorbeeld: “Hanna Bervoets schreef de roman ‘Alles wat er was’.”
Wat gebruik je in zinnen met een overtreffende trap.
•Voorbeeld: “Het mooiste wat ik in Amsterdam zag, was de Magere Brug.”
Wat gebruik je om te verwijzen naar een hele zin.
•Voorbeeld: “Ik zonderde me eventjes af, wat normaliter niets voor mij was.”
Het verwijst naar een voorafgaande zin of een zin die nog volgt.
Voorbeelden
•“De wedstrijd van Ajax is geweldig geweest, ik heb het zojuist teruggekeken.”
•“Het is erg leuk dat we morgen op vakantie gaan.”
Als je verwijst naar dieren of dingen, gebruik je daar-/waar- + voorzetsel.
•Voorbeeld: “Het schoeisel waarvan ik de merknaam niet kan onthouden, is kapot.”
Als je verwijst naar mensen, gebruik je voorzetsel + wie.
•Voorbeeld: “Eva Jinek, van wie ik al jaren fan ben, geeft er de brui aan.”
Alle informatie die ik voor mijn toetsen moet kennen is aanwezig, de powerpoints zijn duidelijk en makkelijk te begrijpen. De opdrachten passen altijd goed bij het onderwerp en ondersteunen goed bij het leren. JoJoschool is erg overzichtelijk voor mij!
Ik gebruik het nu voor Biologie, het werkt ontzettend goed, het is heel overzichtelijk en alles wordt behandeld. Hoog rendement haal ik met leren, geen langdradige verhalen, maar ook niet te moeilijk. Het houdt ook automatisch bij hoe ver je bent.
Het is voor mij een erg goede manier om de leerstof voor toetsen te begrijpen. De video’s zijn een stuk duidelijker en beter dan de meeste video’s op YouTube.

86% van onze leerlingen zegt hoger te scoren.

Een alternatief op dure bijles, altijd uitgelegd door bevoegde docenten.

83% van onze leerlingen zegt onderwerpen sneller te begrijpen.







