Leerdoelen
•Je kunt een tekst volgens de richtlijnen opbouwen.
•Je kunt het verschil tussen hoofd- en bijzaken benoemen.
•Je kunt uitleggen wat kernzinnen zijn.
•Je kunt een alinea opbouwen.
•Je kunt de belangrijkste tekststructuren opnoemen.
Tekstopbouw
Een tekst bestaat vaak uit drie onderdelen: een inleiding, een middenstuk en een slot.
Inleiding
De inleiding heeft twee doelen:
1.De lezer nieuwsgierig maken.
2.Het onderwerp introduceren.
Hoe maak je de lezer nieuwsgierig?
•Verwijzen naar een actuele gebeurtenis: iets in het nieuws dat de lezer al kent of interesseert.
•Een schokkend, grappig of intrigerend aspect of citaat benoemen: gebruik een citaat of benoem een opvallend probleem.
•Een opvallend probleem presenteren: lezers willen weten hoe een probleem opgelost kan worden.
De inleiding is vaak maximaal twee alinea's lang, gevolgd door een witregel. Na de witregel begin je met het middenstuk.
Middenstuk
Het middenstuk bevat de belangrijkste informatie van de tekst. Hier beschrijf je verschillende aspecten, argumenten of deelonderwerpen van het onderwerp. Gebruik per aspect, argument of deelonderwerp één alinea. Begin elke alinea op een nieuwe regel (geen witregel) en gebruik signaalwoorden om alinea's op elkaar te laten aansluiten.
Het middenstuk bestaat vaak uit drie à vier alinea's (meer alinea's is mogelijk) gevolgd door een witregel. Na de witregel begin je met het slot.
Slot
Een goed slot bevat:
•Een samenvatting of conclusie.
•Een toekomstverwachting en/of een uitsmijter.
•Probeer in het slot ook terug te komen op de inleiding om de cirkel rond te maken.
Probeer voor het slot één alinea aan te houden. Het slot kan maximaal 2 alinea's zijn.
Hoofd- en bijzaken
De belangrijkste informatie in een tekst noem je de hoofdzaken. Deze vind je vaak in de inleiding, het slot en in de kernzinnen. Bijzaken geven meer uitleg en verduidelijking van de hoofdzaken en staan meestal rond de kernzinnen. Een kernzin is de belangrijkste zin van een alinea. Ze staan vaak aan het begin of aan het eind van de alinea en fungeren als kapstok voor de rest van de informatie.
Alinea's opbouwen: SExI-methode
Gebruik voor het opbouwen van je alinea's de SExI-methode:
•State (kernzin): formuleer het hoofdidee.
•Explain: leg het hoofdidee uit.
•Illustrate: geef een voorbeeld.
Voorbeeld van een alinea:
•Kernzin: Nederlandse jongeren bewegen te weinig.
•Uitleg: uit onderzoek blijkt dat slechts 30% voldoet aan de beweegnorm.
•Voorbeeld: veel jongeren zitten dagelijks meer dan zes uur achter hun computer.
Tekststructuren
Verschillende tekststructuren helpen je om je tekst logisch te organiseren:
•Argumentatiestructuur: standpunt, argumenten, herhaling, standpunt/conclusie.
•Aspectenstructuur: onderwerp, aspecten van het onderwerp, samenvatting.
•Verklaringsstructuur: verschijnsel, voorbeelden/verklaringen/oorzaken/redenen, samenvatting/conclusie.
•Voor- en nadelenstructuur: vraag/standpunt, voor- en nadelen, afweging/conclusie.
•Probleem-oplossingsstructuur: probleem, oorzaak/gevolg/oplossing, beste oplossing.
•Verleden-heden-toekomststructuur: onderwerp, situatie vroeger/situatie nu, toekomstverwachting.
•Vraag-antwoordstructuur: vraag, antwoorden, conclusie.













