Gezegde

Gezegde

Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 08:30
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Oefenen
Open vraag

Noem bij de volgende zinnen het werkwoordelijke gezegde:

1. Roelf en Ole hebben gisteren urenlang gezwommen in het buurtzwembad.

2. Op school wordt er vaak gevoetbald in de pauze.

3. Bas en Harold fietsen als enigen in de klas elektrisch.

4. Esther reageert geërgerd op de grap van Sjaak.

5. Pretparken doen veel te weinig aan de lange wachtrijen.

Samenvatting

Leerdoelen

Je kunt uitleggen wat het werkwoordelijke gezegde is.

Je kunt uitleggen wat het naamwoordelijk gezegde is.

Je kunt het gezegde bepalen.

Je kunt het gezegde herkennen en benoemen.

Het stappenplan voor zinsontleding

Voordat je het gezegde kunt bepalen, moet je de eerste drie stappen van de zinsontleding hebben gezet:

1.Bepaal de persoonsvorm.

2.Bepaal de zinsdelen.

3.Bepaal het onderwerp.

In deze uitleg gaan we verder met de vierde stap: het gezegde.

Het werkwoordelijk gezegde

Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden in de zin. Het onderwerp doet iets in de zin.

Voorbeelden:

“Celine | opent | de deur.”

Werkwoordelijk gezegde: opent (opent is in deze zin ook de persoonsvorm).

“Celine | heeft | de deur | geopend.” Werkwoordelijk gezegde: heeft geopend

“Celine | had | de deur | kunnen openen.”

Werkwoordelijk gezegde: had kunnen openen

Werkwoordelijke uitdrukkingen

Ook werkwoordelijke uitdrukkingen en constructies met "te" en "aan het" behoren tot het werkwoordelijk gezegde.

Voorbeelden

“Henk | loopt | weer | een blauwtje.” Werkwoordelijk gezegde: loopt een blauwtje

“Erik | stak | Roger | de loef | af.” Werkwoordelijk gezegde: stak de loef af

“Meryem | ligt | heerlijk | te slapen.” Werkwoordelijk gezegde: ligt te slapen

Het naamwoordelijk gezegde

Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit een of meer werkwoorden én een naamwoord (bijvoeglijk naamwoord of zelfstandig naamwoord). Het onderwerp is iets. Koppelwerkwoorden verbinden een eigenschap, functie, toestand of hoedanigheid aan het onderwerp. Vraag jezelf af: doet het onderwerp iets, of is het iets?

Voorbeelden

“Thomas | is | kaal.” Naamwoordelijk gezegde: is [kaal]

“Anass | is | advocaat | geworden.” Naamwoordelijk gezegde: is [advocaat] geworden

“Liselore | werd | na het feestje | misselijk.”

Naamwoordelijk gezegde: werd [misselijk]

Conclusie

Twee soorten gezegdes:

Werkwoordelijk gezegde: Bestaat uit alle werkwoorden in de zin. Het onderwerp doet iets.

Naamwoordelijk gezegde: Bestaat uit werkwoorden én een naamwoord. Het onderwerp is iets.

Veelgestelde vragen
Bekijk ook
4,8

Voeg je bij ruim 80.000 leerlingen die al leren met JoJoschool

Helemaal compleet!

Alle informatie die ik voor mijn toetsen moet kennen is aanwezig, de powerpoints zijn duidelijk en makkelijk te begrijpen. De opdrachten passen altijd goed bij het onderwerp en ondersteunen goed bij het leren. JoJoschool is erg overzichtelijk voor mij!

Heel overzichtelijk

Ik gebruik het nu voor Biologie, het werkt ontzettend goed, het is heel overzichtelijk en alles wordt behandeld. Hoog rendement haal ik met leren, geen langdradige verhalen, maar ook niet te moeilijk. Het houdt ook automatisch bij hoe ver je bent.

Beter dan YouTube

Het is voor mij een erg goede manier om de leerstof voor toetsen te begrijpen. De video’s zijn een stuk duidelijker en beter dan de meeste video’s op YouTube.

Waarom kies je voor JoJoschool?

Hoger scoren

86% van onze leerlingen zegt hoger te scoren.

Betaalbaar en beter

Een alternatief op dure bijles, altijd uitgelegd door bevoegde docenten.

Sneller begrijpen

83% van onze leerlingen zegt onderwerpen sneller te begrijpen.

Ontdek JoJoschool 🎁

Met ons overzichtelijke platform vol met lessen en handige tools heb je alles voor school binnen handbereik. Maak je account aan en ervaar het zelf!

“Door JoJoschool kan ik makkelijker en beter leren” - Anne, 3 havo