Beschrijf de drie onderdelen van een tekst (inleiding, middenstuk en slot). Geef bij elk onderdeel aan welke functies deze heeft in de opbouw van de tekst.
Leerdoelen
•Je kunt een tekst goed opbouwen en kunt de belangrijkste elementen van een goede tekstopbouw benoemen.
•Je kunt het verschil tussen hoofd- en bijzaken uitleggen.
•Je kunt uitleggen wat een kernzin is.
•Je kunt de belangrijkste tekststructuren opnoemen.
Tekstopbouw
Een tekst bestaat vaak uit drie onderdelen: een inleiding, een middenstuk en een slot. Deze onderdelen worden meestal gescheiden door witregels, al is dit niet altijd het geval bij leesteksten.
Inleiding
•Bestaat vaak uit één of meerdere alinea's (blokjes tekst die bij elkaar horen).
•Maakt de lezer nieuwsgierig en introduceert het onderwerp.
•Kan beginnen met een anekdote of een actueel onderwerp om de lezer nieuwsgierig te maken.
Middenstuk
•Hierin wordt de diepte ingegaan en verschillende aspecten van het onderwerp belicht.
•Bestaat uit meerdere alinea's, elk met zijn eigen kernzin en aanvullende informatie.
Slot
•Bevat meestal een korte samenvatting of conclusie.
•Verbindt vaak weer met de inleiding, bijvoorbeeld door een vraag te beantwoorden die in de inleiding gesteld is.
Hoofd- en bijzaken
Tijdens het lezen van een tekst kom je hoofd- en bijzaken tegen. Het is belangrijk om deze te kunnen scheiden, omdat vragen meestal over hoofdzaken gaan.
Hoofdzaken
•De belangrijkste informatie van de tekst.
•Te vinden in de inleiding, het slot en de kernzinnen van alinea's.
Bijzaken
•Geven meer uitleg of voorbeelden ter verduidelijking van de hoofdzaken.
•Staan vaak rond de kernzinnen.
Kernzinnen
•De belangrijkste zinnen van een alinea.
•Vaak te vinden aan het begin, het einde of soms de tweede zin van een alinea.
Tekststructuren
Er zijn verschillende tekststructuren die vaak worden gebruikt. We behandelen er zeven:
Argumentatiestructuur
Inleiding: standpunt
Middenstuk: argumenten
Slot: herhaling van het standpunt
Aspectenstructuur
Inleiding: onderwerp
Middenstuk: aspecten van het onderwerp
Slot: samenvatting
Verklaringsstructuur
Inleiding: verschijnsel
Middenstuk: voorbeelden en verklaringen
Slot: samenvatting of conclusie
Voor- en nadelenstructuur
Inleiding: vraag of standpunt
Middenstuk: voor- en nadelen
Slot: afweging en conclusie
Probleem-oplossingsstructuur
Inleiding: probleem
Middenstuk: oorzaken, gevolgen en oplossingen
Slot: beste oplossing
Verleden-heden-toekomststructuur
Inleiding: onderwerp
Middenstuk: situatie vroeger en nu
Slot: verwachting of conclusie
Vraag-antwoordstructuur
Inleiding: vraag
Middenstuk: antwoorden
Slot: beste of meest voor de hand liggende antwoord













