Wat wordt bedoeld met het woord 'antecedent'?
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen wat verwijswoorden zijn.
•Je kunt beschrijven wat een antecedent is en hoe het verband houdt met verwijswoorden.
•Je kunt de juiste verwijswoorden kiezen voor zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud, rekening houdend met woordgeslacht.
•Je kunt uitleggen hoe je het woordgeslacht van een de-woord kunt bepalen, met behulp van uitgangen of een woordenboek.
•Je kunt de juiste verwijswoorden gebruiken in het meervoud, afhankelijk van hun functie in de zin.
•Je kunt uitleggen in welke situaties je het verwijswoord "wat" gebruikt.
•Je kunt uitleggen in welke situaties je het verwijswoord "het" gebruikt.
•Je kunt het verschil benoemen tussen verwijzen met 'waar/daar + voorzetsel' en 'voorzetsel + wie'.
•Je kunt uitleggen waarom de zinsconstructie 'hun hebben' altijd fout is.
Verwijswoorden
Verwijswoorden zijn woorden die terugverwijzen naar iets wat eerder genoemd is in een zin, of juist vooruitwijzen naar iets dat nog komt. Dat waar ze naar verwijzen, noemen we het antecedent. Verwijswoorden maken je tekst korter en efficiënter, omdat je niet steeds hetzelfde woord hoeft te herhalen. Ze kunnen verschillende vormen hebben, zoals voornaamwoorden of bijwoorden.
Stel je voor: "De leraar gaf de leraar een boek." Dat klinkt niet zo mooi. Met een verwijswoord wordt het: "De leraar gaf hem een boek." Hier is 'hem' het verwijswoord en 'de leraar' het antecedent.
Verwijzen in het enkelvoud
Mannelijke woorden
Als een zelfstandig naamwoord mannelijk is (dit zijn vaak de-woorden), gebruik je de volgende verwijswoorden:
•persoonlijk voornaamwoord: hij, hem
•bezittelijk voornaamwoord: zijn
•aanwijzend voornaamwoord: deze, die
Voorbeeld: De jongen is ziek. Hij heeft griep. (Antecedent: de jongen)
Voorbeeld: Ik heb de stoel gerepareerd. De poot van zijn stoel was gebroken. (Antecedent: de stoel)
Vrouwelijke woorden
Is een zelfstandig naamwoord vrouwelijk (ook vaak de-woorden), dan gebruik je:
•persoonlijk voornaamwoord: zij, ze
•bezittelijk voornaamwoord: haar
•aanwijzend voornaamwoord: deze, die
Voorbeeld: De moeder fietst. Zij is op weg naar de winkel. (Antecedent: de moeder)
Voorbeeld: De krant ligt op tafel. Haar voorpagina is gescheurd. (Antecedent: de krant)
Onzijdige woorden
Onzijdige woorden zijn meestal het-woorden. Hiervoor gebruik je:
•persoonlijk voornaamwoord: het
•bezittelijk voornaamwoord: zijn
•aanwijzend voornaamwoord: dit, dat
Belangrijke regel: Hoewel het-woorden onzijdig zijn, verwijzen we er op de mannelijke manier naar als het om bezit gaat. Je gebruikt dus 'zijn' en niet 'haar'.
Voorbeeld: Het Nederland van vroeger heeft zijn onschuld verloren. (Antecedent: het Nederland)
Voorbeelden van onzijdige woorden zijn:
•Namen van landen, provincies, steden en clubs: het Nederland, het Ajax.
•Verkleinwoorden: het balletje, het huisje.
Voorbeeld: Dit balletje is het kleinste dat ik kon vinden. (Antecedent: dit balletje)
Tip: 'De' eindigt op een 'e', dus 'deze' en 'die'; 'Het' eindigt op een 't', dus 'dit' en 'dat'.
Woordgeslacht van de-woorden
Bij de-woorden kan het soms lastig zijn om te zien of ze mannelijk of vrouwelijk zijn. Je kunt het altijd opzoeken in het woordenboek of woordenlijst.org, maar dat kost veel tijd. Een handige tip is om te letten op de uitgang (het einde) van een woord. Sommige uitgangen maken een woord altijd vrouwelijk:
Uitgang | Voorbeeldwoord |
|---|---|
-heid | veiligheid |
-iek | mechaniek |
-nis | bemoeienis |
-eek | bibliotheek |
-ing | verkiezing |
-teit | universiteit |
-st | komst |
-uur | natuur |
-schap | boodschap |
-te | holte |
-de | waarde |
-ie | politie |
-ij | bakkerij |
Voorbeelden:
•Deze bibliotheek heeft haar collectie onlangs flink uitgebreid. (bibliotheek eindigt op -eek, dus vrouwelijk)
•De natuur is in gevaar. Ze heeft haar langste tijd gehad. (natuur eindigt op -uur, dus vrouwelijk)
Verwijzen in het meervoud
Zij en ze (onderwerp)
Gebruik zij of ze als het verwijswoord het onderwerp van de zin is. Dit betekent dat zij de handeling uitvoeren.
Voorbeeld: De spelers hebben goed gespeeld. Zij hebben gewonnen.
Foutief: Hun hebben ons verraden.
Correct: Zij hebben ons verraden.
Onthoud: De constructie "hun hebben" is altijd fout, omdat 'hun' nooit het onderwerp van een zin kan zijn. Dit is een veelgemaakte fout!
Hen (lijdend voorwerp, na voorzetsel)
Gebruik hen in twee gevallen:
1.Als lijdend voorwerp: het zinsdeel dat de handeling van het werkwoord ondergaat.
2.Na een voorzetsel: woorden zoals 'voor', 'met', 'van', 'door', 'aan', etc.
Voorbeeld lijdend voorwerp: De leraar berispte hen omdat ze te laat waren. (Wie of wat berispte de leraar? Hen.)
Voorbeeld na voorzetsel: Hij is voor hen al jaren een held. (Na het voorzetsel 'voor'.)
Hun (meewerkend voorwerp zonder voorzetsel, bezittelijk voornaamwoord)
Gebruik hun in twee gevallen:
1.Als meewerkend voorwerp zonder voorzetsel: dit is vaak aan of voor wie iets gebeurt, en er staat geen voorzetsel direct voor.
2.Als bezittelijk voornaamwoord: om aan te geven dat iets van meerdere mensen is.
Voorbeeld meewerkend voorwerp: Heeft iemand hun die brief gegeven? (Aan wie werd die brief gegeven? Hun.)
Voorbeeld bezittelijk voornaamwoord: Deze foto is van hun gestorven opa. (De opa die van hen was.)
Speciale verwijswoorden: "wat" en "het"
Naast de gewone verwijswoorden zijn er ook nog 'wat' en 'het' die op specifieke manieren gebruikt worden.
Het verwijswoord "wat"
Je gebruikt wat in de volgende situaties:
•Naar 'dat' en 'datgene': Datgene wat je me toen vertelde, is me altijd bijgebleven.
•Naar een onbepaald voornaamwoord: dit zijn woorden zoals 'alles', 'niets', 'iets', 'veel', 'weinig'. Hannah Bervoets schreef de roman Alles wat er was.
•Naar de overtreffende trap: dit zijn woorden in de overtreffende trap, zoals 'het mooiste', 'het kleinste'. Het mooiste wat ik in Amsterdam zag, was de Magere Brug.
•Naar een hele zin: Ik zonderde me eventjes af, wat normaliter niets voor mij was.
Het verwijswoord "het"
Het verwijswoord het kan verwijzen naar:
•Een voorafgaande zin: De wedstrijd van Ajax is geweldig geweest. Ik heb het zojuist teruggekeken.
•Een zin die nog volgt (vooruitwijzend): Het is erg leuk dat we vanmorgen op vakantie gaan. (hier wijst 'het' naar 'dat we vanmorgen op vakantie gaan')
Verwijzen met voorzetsels
Dieren of dingen
Naar dieren of dingen verwijs je met 'daar' of 'waar' plus het voorzetsel.
Voorbeeld: Het schoeisel waarvan ik de merknaam niet kan onthouden, is kapot. (Niet: 'het schoeisel van wie ik de naam niet kan onthouden')
Andere voorbeelden: waarin, waarop, waardoor, daarin, daarop, daardoor.
Mensen
Naar mensen verwijs je juist met het voorzetsel plus 'wie'.
Voorbeeld: Eva Jinek, van wie ik al jaren fan ben, geeft de brui aan. ('De brui aangeven' betekent ergens mee stoppen.)
Andere voorbeelden: door wie, met wie, voor wie.














