Welke van de onderstaande werkwoorden is een voorbeeld van een sterke vervoeging?
Werkwoordspelling
In deze les bespreken we alles wat je moet weten over werkwoordspelling. Het is belangrijk om deze regels goed te beheersen, omdat ze invloed hebben op je taalverzorging. Goed taalgebruik zegt veel over jou als persoon, vergelijkbaar met hoe je er verzorgd uitziet.
Hoofdregel van Nederlandse spelling
De belangrijkste regel van de Nederlandse spelling is eenvoudig: spelling volgt uitspraak. Dit betekent dat hoe je een woord uitspreekt, invloed heeft op hoe je het spelt. Houd er rekening mee dat er uitzonderingen zijn, vooral als je te maken hebt met werkwoordspelling.
Soorten werkwoord vormen
Een werkwoord kan op zes manieren in een zin voorkomen:
•Persoonsvorm
•Voltooid deelwoord
•Onvoltooid deelwoord
•Infinitief (heel werkwoord)
•Gebiedende wijs
•Bijvoeglijk naamwoord
Persoonsvorm
De persoonsvorm is het werkwoord dat zich aanpast aan het onderwerp. Dit betekent dat als het onderwerp in het enkelvoud is, de persoonsvorm ook in het enkelvoud moet zijn, en vice versa. Daarnaast geeft de persoonsvorm ook een element van tijd aan.
Om de persoonsvorm te kunnen vinden, moet je zinnen kunnen ontleden. De stam van het werkwoord speelt hierbij een belangrijke rol. De stam krijg je door de -en van een werkwoord te verwijderen.
Hoofdregel voor tegenwoordige tijd
•Ik-vorm: hier gebruik je de stam.
•Jij-vorm: daar komt een -t achter de stam, tenzij "jij" na de persoonsvorm staat. Dan valt de -t weg.
•Derde persoon enkelvoud: hier komt altijd een -t achter de stam.
•Meervoud: dit klinkt als het hele werkwoord, maar het is de wij-, jullie- of zij-vorm.
Uitzonderingen
Enkele werkwoorden hebben afwijkende vervoegingen in de derde persoon:
•"Zijn"
•"Kunnen"
•"Zullen"
•"Willen"
Voor deze werkwoorden zijn er specifieke regels die je moet raadplegen.
Verleden tijd
Voor het vormen van de verleden tijd gebruiken we het ezelsbruggetje 't kofschip. Dit betreft de medeklinkers in de stam:
•K, F, S, CH, P, T: zijn stemloos, je gebruikt hier je stembanden niet voor.
Als de stam eindigt op een medeklinker van het kofschip, gebruik je de stemloze -t in de verleden tijd.
Voorbeeld:
Verhuizen: stam is "verhuis".
De laatste letter is Z.
Hierdoor gebruik je de stemhebbende -d in de verleden tijd. "Verhuisde".
Sterke werkwoorden
Sterke werkwoorden veranderen van klank in de verleden tijd.
Bijvoorbeeld:
•"Blijven" wordt "bleef".
•"Graven" wordt "groef".
Deze werkwoorden worden gaandeweg gemakkelijker, aangezien het Nederlands evolueert.
Voltooid en onvoltooid deelwoord
•Het voltooid deelwoord eindigt meestal op een -d of -t, oftewel gebruik de kofschip regel.
•Het onvoltooid deelwoord is simpel: gebruik het hele werkwoord plus -d.
Bijvoorbeeld:
"Vluchtend", "Puffend".
Gebiedende wijs
De gebiedende wijs is dezelfde als de ik-vorm, met uitzondering van het werkwoord "zijn": "wees".
Bijvoeglijk naamwoord
Soms is een bijvoeglijk naamwoord afgeleid van een werkwoord. De spelling hiervan hangt af van of het afkomstig is van een voltooid of onvoltooid deelwoord.
Voorbeeld:
Voltooid deelwoord: "Het afgelopen jaar"
Onvoltooid deelwoord: "De lachende man"
Ken de regels
Het is essentieel om de regels van de werkwoordspelling goed te kennen. Als je de regels niet kent, is het lastig om correct te spellen. Elke werkwoordsvorm heeft zijn eigen specifieke regels.














