Leerdoelen
•Je kunt het standpunt in een tekst herkennen en correct formuleren;
•Je kunt signaalwoorden gebruiken om de argumentatielijn van een tekst te analyseren;
•Je kunt de vier basisstructuren van argumentatieschema's benoemen en van elkaar onderscheiden: enkelvoudig, meervoudig, nevenschikkend en onderschikkend;
•Je kunt aan de hand van concrete voorbeelden elk van de vier basisstructuren van argumentatieschema's correct toepassen;
•Je kunt een eenvoudig argumentatieschema opstellen op basis van een gegeven tekst, waarbij het standpunt en de argumenten correct zijn geplaatst.
Wat is een argumentatieschema?
Een argumentatieschema is een schematische en beknopte weergave van de manier waarop een schrijver of spreker zijn standpunt onderbouwt. Het helpt je de logica en de structuur van een argumentatie te doorzien. Bij opdrachten en examens word je vaak gevraagd zo'n schema op te stellen. Je ziet dan meestal een vak waarin de stelling (het standpunt) moet komen, met daaronder verschillende vakken, verbonden door pijlen, waar je de argumenten in moet plaatsen.
Het belang van een standpunt en signaalwoorden
Om een argumentatieschema goed op te stellen, zijn er een paar cruciale stappen. Allereerst moet je het standpunt uit de tekst goed herkennen en kunnen formuleren. Dit is de hoofdbewering die de auteur wil overbrengen. Vervolgens is het heel handig om je signaalwoorden paraat te hebben. Signaalwoorden zijn woorden die de verbanden tussen zinnen en alinea's aanduiden, zoals 'want', 'dus', 'omdat', 'daarom', 'immers', 'hoewel' en 'tenzij'. Ze geven aan welke lijn de schrijver volgt in zijn redenering.
Herkennen van verbanden
Signaalwoorden zijn niet alleen nuttig voor het vinden van argumenten; ze laten je ook zien welke soort redenering de basis vormt van de argumentatie. Denk hierbij aan verbanden zoals:
•Oorzaak of gevolg (bijvoorbeeld: "het regende, dus de straat is nat");
•Overeenkomst (bijvoorbeeld: "net als vorig jaar...");
•Een kenmerk (bijvoorbeeld: "het gebouw is onveilig, want het staat op instorten"). Het kunnen herkennen van deze verbanden is ontzettend handig bij het analyseren van teksten.
De vier basisstructuren van argumentatieschema's
Er zijn vier basisstructuren voor argumentatieschema's die je moet kennen. Ze beschrijven de verschillende manieren waarop argumenten een standpunt kunnen ondersteunen.
1. Enkelvoudige argumentatie
Bij enkelvoudige argumentatie wordt een stelling of standpunt ondersteund door één enkel argument. Het is hierbij belangrijk te begrijpen dat de stelling volgt uit het argument. Dit betekent dat in een schema de pijl vanuit het argument naar het standpunt wijst. Het argument is de basis voor de stelling.
Voorbeeld:
•Argument: literatuur heeft geen raakvlakken met de andere onderdelen van de taalvakken.
•Standpunt: dus er moet een apart schoolvak literatuur komen.

2. Meervoudige argumentatie
Meervoudige argumentatie houdt in dat er een stelling is die gebaseerd is op twee of meer argumenten die naast elkaar en los van elkaar kunnen bestaan. Elk argument biedt op zichzelf voldoende ondersteuning voor het standpunt. Je kunt dus een van de argumenten weglaten, en het standpunt blijft alsnog onderbouwd.
Voorbeeld:
•Argument 1: literatuur heeft geen raakvlakken met de andere onderdelen van de taalvakken.
•Argument 2: het onderdeel literatuur neemt heel veel tijd in beslag van de praktische onderdelen van de taalvakken.
•Standpunt: uit deze twee argumenten volgt dus: er moet een apart schoolvak literatuur komen.

3. Nevenschikkende argumentatie
Bij nevenschikkende argumentatie worden twee of meer argumenten gebruikt die samen het standpunt ondersteunen. Ze zijn "gelijk aan elkaar" (denk aan je neef als je gelijke), maar ze hebben ook een relatie met elkaar. Dit betekent dat de argumenten afhankelijk zijn van elkaar; als je één argument weghaalt, is de onderbouwing van het standpunt niet meer volledig. De argumenten werken alleen in combinatie.
Voorbeeld:
•Argument 1: literatuur heeft geen raakvlakken met de andere onderdelen van de taalvakken.
•Argument 2: het is veel zinniger om literatuur uit verschillende taalgebieden binnen één schoolvak te behandelen.
•Standpunt: uit deze twee argumenten samen volgt: er moet een apart schoolvak literatuur komen.

4. Onderschikkende argumentatie
Onderschikkende argumentatie ontstaat wanneer een argument op zijn beurt weer wordt onderbouwd door een ander argument, en dat argument eventueel weer door een volgend argument, enzovoort, totdat uiteindelijk het standpunt wordt bereikt. Het ene argument leidt logisch tot het volgende argument.
Voorbeeld:
•Argument 1: er ontstaat voor leerlingen een veel duidelijker totaalbeeld van wat literatuur is en doet.
•Argument 2 (volgt uit argument 1): dus is het veel zinniger om literatuur uit verschillende taalgebieden binnen één schoolvak te behandelen.
•Standpunt (volgt uit argument 2): dus er moet een apart schoolvak literatuur komen.

Let op: schema's kunnen gecombineerd worden
In de praktijk kom je deze argumentatieschema's vaak door elkaar tegen in teksten. Een complexe redenering kan bijvoorbeeld elementen van meervoudige en onderschikkende argumentatie combineren. Het is dus niet altijd een kwestie van óf het ene schema óf het andere. Onthoud goed de kern: bij nevenschikkende argumentatie bestaan de argumenten naast elkaar en ondersteunen ze samen; bij onderschikkende argumentatie vloeit het ene argument logisch voort uit het andere.














