Les over 3 Taalverzorging

Les over 3 Taalverzorging

Gemaakt door Ainstein
3 Taalverzorging
Deze video bestaat uit
  • PersoonsvormPersoonsvorm
  • OnderwerpOnderwerp
  • OB - Nederlands - D2 - PresentatieOB - Nederlands - D2 - Presentatie
  • Meervouden en verkleinwoordenMeervouden en verkleinwoorden
  • Werkwoordspelling persoonsvormWerkwoordspelling persoonsvorm
  • OB - Nederlands - C3 - PresentatieOB - Nederlands - C3 - Presentatie
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 13:46
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Hoe verbeter je grammatica, spelling en formuleren?

Leerdoelen

Je kunt uitleggen wat een werkwoord, persoonsvorm en onderwerp is.

Je kunt de persoonsvorm en het onderwerp in een zin vinden en benoemen.

Je kunt de regels voor hoofdletters, punten en vraagtekens correct toepassen.

Je kunt de spellingregels voor korte en lange klanken correct gebruiken.

Je kunt de meervoudsvormen van zelfstandige naamwoorden correct spellen.

Je kunt de persoonsvorm van regelmatige en onregelmatige werkwoorden correct spellen in de tegenwoordige en verleden tijd.

Je kunt de juiste verwijswoorden kiezen voor de-woorden en het-woorden.

Je kunt het verschil in betekenis en gebruik uitleggen tussen de werkwoorden kennen en kunnen, en liggen en leggen.

Grammatica

Het werkwoord

Een werkwoord zegt wat iets of iemand doet of wat er gebeurt. In elke zin staan een of meer werkwoorden. Een werkwoord heeft verschillende vormen, zoals winnen (win, wint, winnen, won, wonnen, gewonnen) en maken (maak, maakt, maken, maakte, maakten, gemaakt).

De persoonsvorm

Een van de werkwoorden in een zin is de persoonsvorm. Je kunt de persoonsvorm vinden door met dezelfde woorden een vraag van de zin te maken. Dit noem je de vraagproef. Het eerste woord van die vraagzin is de persoonsvorm.

Het onderwerp

Het onderwerp van een zin is wie of wat iets doet. Het onderwerp en de persoonsvorm horen bij elkaar; ze zijn allebei enkelvoud of allebei meervoud. Je vindt het onderwerp door de volgende stappen te volgen:

1.Zoek de persoonsvorm met de vraagproef.

2.Stel de vraag: wie of wat + persoonsvorm? Het antwoord op deze vraag is het onderwerp.

Spelling

Hoofdletters, punten en vraagtekens

Hoofdletters en leestekens maken een tekst gemakkelijker om te lezen. Je schrijft een hoofdletter:

Aan het begin van een zin.

Bij namen van personen, plaatsen, landen, straten en organisaties.

Je schrijft een punt aan het einde van een gewone zin. Je schrijft een vraagteken aan het einde van een vraagzin.

Korte en lange klanken

De spelling van klinkers hangt af van de klank die je hoort:

Een korte klank schrijf je met één klinker (a, e, i, o, u), zoals in dak, les, wit, stok of bus.

Een lange klank schrijf je met twee dezelfde klinkers (aa, ee, oo, uu), zoals in vaas, weer, groot of duur.

Let op: Als de lange klank aan het einde van een lettergreep staat, schrijf je deze met één klinker, zoals in wa-ter, kle-den, sto-ren of mu-ren.

Meervoudsvormen

Als er van iets meer dan één is, noem je dat een meervoud. De meeste woorden hebben een meervoud dat eindigt op -en of -s. Regels voor het meervoud op -en:

Zet -en achter het grondwoord (broek - broeken).

Er komt een medeklinker bij als je in het meervoud een korte klank hoort (zus - zussen, bed - bedden).

Er gaat een klinker af als je in het meervoud een lange klank aan het eind van een lettergreep hoort (schuur - schuren, bioscoop - bioscopen).

De letter -s verandert in een -z- (muis - muizen, kaas - kazen).

De letter -f verandert in een -v- (neef - neven, dief - dieven).

Regels voor het meervoud op -s:

Zet -s achter het woord (spelletje - spelletjes). Meestal schrijf je de -s aan het woord vast.

Je schrijft -'s (met een apostrof) als je het woord anders verkeerd uitspreekt (taxi's, menu's, kassa's).

In het woordenboek kun je altijd opzoeken hoe je het meervoud van een woord correct schrijft.

Werkwoordspelling

Voor de spelling van de persoonsvorm gelden specifieke regels. Hierbij heb je vaak de ik-vorm nodig. Dit is het woord dat in de tegenwoordige tijd achter 'ik' staat. Als een woord geen persoonsvorm is, kun je het langer maken om te horen of het eindigt op een -t of een -d (bijvoorbeeld: gekoste dus gekost). De spelling van de persoonsvorm volgt dit schema:

Vorm
Tegenwoordige tijd (tt)
Verleden tijd (vt) - zwak
Verleden tijd (vt) - sterk
Enkelvoud
ik-vorm (bij 'ik' en als 'je/jij' achter de pv staat) of ik-vorm + t (bij de rest)
ik-vorm + -de of -te
klank verandert; schrijf zo kort mogelijk
Meervoud
hele werkwoord
ik-vorm + -den of -ten
klank verandert + -en

Lastige werkwoorden

Sommige werkwoorden hebben geen vaste regels voor de tegenwoordige en de verleden tijd. Deze werkwoorden veranderen volledig van vorm:

Werkwoord
Tegenwoordige tijd (tt) - Enkelvoud
Tegenwoordige tijd (tt) - Meervoud
Verleden tijd (vt) - Enkelvoud
Verleden tijd (vt) - Meervoud
zijn
ben, bent, is (bij '... je/jij' is het 'ben')
zijn
was
waren
hebben
heb, hebt, heeft (bij '... je/jij' is het 'heb')
hebben
had
hadden
willen
wil, wilt (bij '... je/jij' is het 'wil')
willen
wilde
wilden
kunnen
kan, kunt (bij '... je/jij' is het 'kun')
kunnen
kon
konden
zullen
zal, zult (bij '... je/jij' is het 'zul')
zullen
zou
zouden

Formuleren

De/het en verwijswoorden

Met verwijswoorden wijs je iets aan of verwijs je naar woorden die je eerder hebt gebruikt. Welk verwijswoord je kiest, hangt af van het woordgeslacht:

Bij een de-woord horen de aanwijzende voornaamwoorden deze en die.

Bij een het-woord horen de aanwijzende voornaamwoorden dit en dat.

Om te verwijzen naar personen of dingen, gebruik je de volgende persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden:

Antecedent
Verwijswoord
Een man
hij, hem, zijn
Een vrouw
zij/ze, haar
Een het-woord
het, zijn
Meer personen of dingen (meervoud)
zij/ze, hun

Let op: De woorden hun en zijn gebruik je alleen om te laten zien dat iets van iemand is (bezit).

Lastige werkwoorden: kennen/kunnen en liggen/leggen

Sommige werkwoorden lijken veel op elkaar, maar hebben een heel andere betekenis:

Kennen heeft te maken met weten of leren (bijvoorbeeld: "Hij kent de regel uit zijn hoofd").

Kunnen betekent in staat zijn om iets te doen (bijvoorbeeld: "Ze kan erg goed turnen").

Liggen heeft te maken met rust of niet bewegen (bijvoorbeeld: "Hij ligt nog steeds in bed").

Leggen heeft te maken met actie, iets neerzetten of plaatsen (bijvoorbeeld: "Hij legt het geld op de toonbank").