Les over Poëzie en fictie

Les over Poëzie en fictie

Gemaakt door Ainstein
Poëzie en fictie
Deze video bestaat uit
  • Poëzie en fictiePoëzie en fictie
  • Woordenschat: onbekende woorden en beeldspraak Woordenschat: onbekende woorden en beeldspraak
  • Begrippen poëzieBegrippen poëzie
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 16:43
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Poëzie en fictie: alles over gedichten en verhalen

Leerdoelen

Je kunt het verschil tussen fictie en non-fictie uitleggen.

Je kunt personages in een verhaal indelen in hoofdpersonen, bijfiguren, helden en antihelden.

Je kunt uitleggen hoe sfeer, ruimte en tijd bijdragen aan de spanning in een verhaal.

Je kunt verschillende vertelperspectieven in een tekst herkennen en benoemen.

Je kunt het verschil tussen letterlijk en figuurlijk taalgebruik uitleggen.

Je kunt vormen van rijm en beeldspraak, zoals personificatie en metaforen, herkennen en toepassen.

Je kunt leesstrategieën toepassen om de betekenis van onbekende woorden te achterhalen.

Fictie en non-fictie

Binnen de literatuur maken we een belangrijk onderscheid tussen verhalen die verzonnen zijn en verhalen die op de werkelijkheid zijn gebaseerd. Dit onderscheid beschrijven we met de volgende begrippen:

Fictie: Dit zijn verzonnen verhalen. Hoewel ze heel realistisch kunnen lijken en gebaseerd kunnen zijn op waargebeurde situaties, zijn de elementen en personages door de auteur bedacht.

Non-fictie: Dit zijn verhalen en teksten die volledig op de werkelijkheid berusten en echt gebeurd zijn, zoals krantenartikelen, biografieën of geschiedenisboeken.

Elk fictief verhaal heeft een thema. Dit is het belangrijkste onderwerp of de diepere gedachte waar het hele verhaal om draait. Het thema hangt vaak nauw samen met het centrale probleem dat de personages proberen op te lossen, zoals vriendschap, liefde, verraad, oorlog of pesten.

Problemen en personages

In veel verhalen voor jongeren staan de problemen van de hoofdpersonen centraal. Een boek dat specifiek draait om de worstelingen van jonge personages met onderwerpen zoals echtscheiding, pesten, verslaving of criminaliteit, noemen we een probleemboek. Bekende voorbeelden hiervan zijn fragmenten uit boeken zoals Messcherp van Catherine Johnson, #Selfie van Caja Cazemier en Kapot van Carry Slee.

Personages in kaart brengen

De mensen of wezens die in een verhaal een rol spelen, noemen we personages. We kunnen deze personages op verschillende manieren indelen:

Hoofdpersonen: Dit zijn de belangrijkste figuren in het verhaal. Vaak zijn dit round characters (ronde karakters). Je leert hun gedachten, gevoelens en beweegredenen heel goed kennen, en ze maken gedurende het verhaal een duidelijke ontwikkeling door.

Bijfiguren: Dit zijn de overige personages in het verhaal. Dit zijn vaak flat characters (platte karakters) of types. Je krijgt als lezer weinig informatie over hen en hun karakter verandert gedurende het verhaal nauwelijks.

Helden: Dit zijn personages met positieve eigenschappen voor wie de lezer sympathie voelt en met wie je makkelijk meeleeft (empathie).

Antihelden: Dit zijn personages met minder sympathieke of zelfs weerzinwekkende eigenschappen. Ze roepen vaak gevoelens van weerstand op en het is moeilijker om je met hen te identificeren.

Soms gebruikt een auteur een speaking name. Dit is een naam die al direct iets verklapt over het karakter of de eigenschappen van het personage.

Taalgebruik en poëzie

Schrijvers en dichters spelen voortdurend met taal om gevoelens over te brengen. Hierbij maken we onderscheid tussen twee manieren van formuleren:

Letterlijk taalgebruik: Je zegt precies wat je bedoelt. Bijvoorbeeld: 'Het regent hard.'

Figuurlijk taalgebruik: Je bedoelt iets anders dan je letterlijk opschrijft. Bijvoorbeeld: 'De hemel huilt.'

Een veelvoorkomende vorm van figuurlijk taalgebruik is personificatie. Hierbij krijgt een levenloos voorwerp of een abstract begrip menselijke eigenschappen of gevoelens. Denk aan uitdrukkingen zoals 'het licht fluistert stilletjes' of 'de muren van het huis dromen'.

Kenmerken van poëzie

Gedichten (poëzie) verschillen sterk van gewone verhalen (proza). Terwijl proza vooral verhalend is (episch), is poëzie vaak lyrisch en gericht op het overbrengen van gevoelens. Poëzie herken je aan de volgende uiterlijke kenmerken:

Een bladspiegel met veel witruimte, waardoor de woorden extra nadruk krijgen.

Het gebruik van een versregel (één regel tekst) en een strofe (een groepje versregels dat bij elkaar hoort, vergelijkbaar met een alinea).

Het optreden van een enjambement: het afbreken van een zin op een onlogische plek aan het einde van een versregel, waardoor de zin doorloopt op de volgende regel.

Misdaad, geweld en spanning

Wanneer een verhaal draait om misdaad, geweld en het oplossen van een mysterie, spreken we van een thriller. Dit genre is er speciaal op gericht om de lezer voortdurend in spanning te houden. In de bibliotheek zijn deze boeken herkenbaar aan een speciaal icoon met een pistool.

Hoe ontstaat spanning?

Schrijvers gebruiken verschillende technieken om spanning op te bouwen in hun verhalen. Dit kan door:

Het introduceren van onverwachte gebeurtenissen of wendingen.

Het presenteren van een raadsel of mysterie (zoals de gevonden portemonnee met mysterieuze getallen in Moord op school).

Het creëren van conflicten of ruzies tussen personages.

Het zorgvuldig beschrijven van de sfeer. De sfeer bepaalt hoe een situatie aanvoelt voor de lezer, bijvoorbeeld griezelig, dreigend of juist gezellig.

Het vertelperspectief

De manier waarop je tegen de gebeurtenissen aankijkt, wordt bepaald door het perspectief. Het perspectief ligt bij de persoon van wie je de gedachten en gevoelens leert kennen. We onderscheiden drie hoofdvormen:

Ik-perspectief: Het verhaal wordt verteld vanuit een ik-figuur. Je leest wat deze persoon meemaakt, denkt en voelt.

Personale perspectief: Het verhaal wordt verteld in de derde persoon (hij/zij). De verteller is zelf geen personage, maar volgt één personage heel nauwgezet.

Auctoriale perspectief: Er is sprake van een alwetende verteller die buiten het verhaal staat. Deze verteller kent de gedachten en gevoelens van alle personages en kan vooruitblikken naar de toekomst.

Geschiedenis, tijd en ruimte

Verhalen die zich afspelen in een herkenbare historische periode noemen we historische (jeugd)boeken. In de bibliotheek zijn deze boeken te herkennen aan een icoon van een houten klomp. De context waarin deze verhalen zich afspelen, wordt bepaald door de ruimte en de tijd.

Ruimte en tijd

De ruimte is de specifieke plaats of het decor waar een verhaal zich afspeelt, zoals een Romeins legerkamp, een paradijselijk eiland of een boerenzolder tijdens de watersnoodramp van 1953. De beschrijving van de ruimte versterkt vaak de sfeer van het verhaal. De tijd verwijst naar de historische periode waarin het verhaal is gesitueerd. Denk hierbij aan de bekende historische tijdvakken:

De Tijd van Grieken en Romeinen

De Tijd van monniken en ridders

De Tijd van ontdekkers en hervormers

De Tijd van wereldoorlogen

Tijdstechnieken in verhalen

Schrijvers spelen vaak met de tijdsvolgorde (chronologie) om een verhaal dynamisch te maken. Belangrijke begrippen hierbij zijn:

Tijdsprong: De schrijver slaat een periode over en beschrijft iets wat zich veel later of juist vroeger heeft afgespeeld. Dit gebeurt vaak aan het begin van een nieuw hoofdstuk of na een witregel.

Flashback: Een terugblik naar een gebeurtenis uit het verleden die helpt om de huidige situatie te begrijpen.

Flashforward: Een korte vooruitblik naar wat er in de toekomst gaat gebeuren.

Verteltijd: De tijd die je nodig hebt om het boek te lezen (bijvoorbeeld twee uur).

Vertelde tijd: De tijd die binnen het verhaal verstrijkt (bijvoorbeeld drie dagen of tien jaar).

Buien, woordbetekenis en beeldspraak

Woorden kunnen soms verwarrend zijn omdat ze meerdere betekenissen hebben. Een woord dat hetzelfde klinkt en op dezelfde manier wordt geschreven, maar verschillende betekenissen heeft, noemen we een homoniem. Een voorbeeld hiervan is het woord 'bui' (een regenbui of een vrolijke/chagrijnige gemoedstoestand).

Strategieën voor onbekende woorden

Als je tijdens het lezen een onbekend woord tegenkomt, kun je de betekenis achterhalen met de volgende stappen:

1.Gebruik een woordenboek: Zoek het woord op in een (online) woordenboek.

2.Zoek een synoniem: Kijk of er verderop in de tekst een woord met dezelfde betekenis staat.

3.Zoek voorbeelden: Let op signaalwoorden zoals 'zoals' of 'bijvoorbeeld' om de context te begrijpen.

4.Zoek een omschrijving: Soms legt de tekst de betekenis direct uit.

5.Zoek een tegenstelling: Signaalwoorden zoals 'maar' of 'echter' kunnen je helpen de betekenis te herleiden.

6.Zoek bekende woorddelen: Ontleed het woord om te kijken of je een deel ervan herkent.

Vormen van beeldspraak

Bij beeldspraak gebruikt de schrijver een beeld om iets uit de werkelijkheid te omschrijven of te verduidelijken. We onderscheiden de volgende vormen van beeldspraak:

Vergelijking: Het object en het beeld worden beide genoemd en met elkaar verbonden (vaak met 'als' of 'zoals'). Bijvoorbeeld: 'Mijn hart is als een rood hondje.'

Metafoor: Alleen het beeld wordt genoemd, het eigenlijke object ontbreekt. Bijvoorbeeld: 'Ruim die zwijnenstal eens op!' (waarbij de kamer het weggelaten object is).

Personificatie: Levenloze dingen of abstracte begrippen krijgen menselijke eigenschappen. Bijvoorbeeld: 'De wind fluistert.'

Metonymie: Er is een logisch verband tussen het object en het beeld, maar dit is niet gebaseerd op een vergelijking. Denk aan het noemen van een deel in plaats van het geheel ('koppen tellen' in plaats van mensen) of het voorwerp in plaats van de inhoud ('een glas drinken').

Andere landen en rijmvormen

Veel verhalen spelen zich af in andere landen en culturen, zoals Afghanistan in Ontsnapt aan de Taliban of Mozambique in Het geheim van het vuur. Deze verhalen confronteren de lezer vaak met ernstige problematiek zoals oorlog, vluchtelingensituaties en cultuurverschillen.

Rijm en klankspel in poëzie

Rijm is een belangrijk stijlmiddel in de poëzie om ritme en klank te creëren. We onderscheiden verschillende rijmvormen:

Gepaard rijm: Twee opeenvolgende versregels rijmen op elkaar (rijmschema: AABB).

Gekruist rijm: De versregels rijmen om en om op elkaar (rijmschema: ABAB).

Omarmend rijm: De buitenste regels omarmen de binnenste rijmende regels (rijmschema: ABBA).

Alliteratie (beginrijm): De beginmedeklinkers van opeenvolgende woorden zijn gelijk. Bijvoorbeeld: 'zoete zoele' of 'violen vlagen'.

Assonantie (klinkerrijm): De klinkers binnen de woorden rijmen op elkaar. Bijvoorbeeld: 'zoete zoele'.

Een rijmschema opstellen

Om de rijmstructuur van een gedicht in kaart te brengen, kun je een rijmschema opstellen. Dit doe je als volgt:

1.Kijk naar het laatste woord van de eerste versregel en geef deze klank de letter A.

2.Kijk naar het laatste woord van de volgende versregel. Rijmt dit op de eerste klank? Geef het dan ook de letter A. Is het een nieuwe klank? Geef het dan de letter B.

3.Herhaal deze stap voor elke volgende versregel en gebruik telkens een nieuwe letter voor een nieuwe rijmklank.