Les over 6 Vakantie!

Les over 6 Vakantie!

Gemaakt door Ainstein
6 Vakantie!
Deze video bestaat uit
  • Tekstsoorten schrijvenTekstsoorten schrijven
  • Meervouden en verkleinwoordenMeervouden en verkleinwoorden
  • Werkwoordspelling persoonsvormWerkwoordspelling persoonsvorm
  • Werkwoordspelling overige werkwoordsvormenWerkwoordspelling overige werkwoordsvormen
  • OB - Nederlands - D2 - PresentatieOB - Nederlands - D2 - Presentatie
  • VerwijswoordenVerwijswoorden
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 25:30
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Vakantie! Alles over lezen, schrijven en taalverzorging

Leerdoelen

Je kunt aan een tekst, programma of presentatie zien voor welk publiek deze bedoeld is.

Je kunt je taalgebruik, toon en lay-out bij het schrijven en spreken aanpassen aan je publiek.

Je kunt verschillende strategieën toepassen om de betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen te achterhalen.

Je kunt meervouden op -en en -s correct spellen.

Je kunt de persoonsvorm en andere werkwoordsvormen in de tegenwoordige en verleden tijd correct spellen.

Je kunt hoofdletters, leestekens en verwijswoorden op de juiste manier gebruiken in een tekst.

Tekst en publiek

Een schrijver wil meestal dat zijn tekst door een bepaalde groep mensen gelezen wordt: het publiek. Een schrijver houdt bij het schrijven van de tekst rekening met dit publiek. Je kunt aan de volgende kenmerken zien voor welk publiek een tekst of programma bedoeld is:

Het onderwerp: een onderwerp zoals vakantiebanen of de vetste achtbanen trekt jongeren aan, terwijl onderwerpen over belastingen, hypotheken of het schilderen van je huis voor volwassenen zijn bedoeld.

Het taalgebruik: teksten voor jongeren bevatten vaak moderne, nieuwe woorden (zoals 'chillen' en 'checken') en spreken de lezer aan met 'je' of 'jij'. In teksten voor volwassenen wordt de lezer vaker met 'u' aangesproken en is het taalgebruik formeler.

De bron: de plaats waar de tekst is gepubliceerd verklapt veel over de doelgroep. Een tijdschrift zoals Bobo is voor jonge kinderen, 7Days is voor jongeren en de LINDA. of ANWB Kampioen is voor volwassenen.

De lay-out (opmaak): teksten voor jongeren hebben vaak een drukke opmaak met veel kleuren, verschillende lettertypen en veel afbeeldingen. Teksten voor volwassenen zien er vaak rustiger, saaier en zakelijker uit.

De vorm (bij video of audio): in programma's of vlogs voor jongeren praat de presentator vaak snel en wisselen de beelden elkaar snel af. Bij programma's voor volwassenen is het tempo rustiger.

Voorbeelden uit de praktijk

In dit hoofdstuk kwamen verschillende teksten aan bod die dit illustreren:

Telefoonrekening van 30.000 euro, oeps!: Deze tekst is geschreven voor jongeren. Dit zie je aan het onderwerp (een smartphone en een hoge rekening), het taalgebruik (woorden zoals 'chillen' en 'checken') en de bron (de website SevenDays). In deze tekst wordt ook gesproken over dataroaming, wat betekent dat je via een buitenlandse provider internet gebruikt op je telefoon buiten je bundel.

Is de zon onze vriend of onze vijand?: Deze tekst informeert over de voordelen (vitamine D, sterke botten) en nadelen (verbranding, huidkanker) van de zon. Hierbij is de zonkracht belangrijk: de hoeveelheid schadelijke uv-straling die de aarde bereikt.

Kwart Nederlanders geen geld voor vakantie: Een serieuzer nieuwsbericht over armoede, waarin gezinnen door een lege portemonnee niet op vakantie kunnen en hulp krijgen van stichtingen zoals stichting Heppie.

Schrijven en spreken voor publiek

Wanneer je zelf een tekst schrijft of een presentatie geeft, moet je altijd rekening houden met je doelgroep. Dit is de specifieke groep mensen die je wilt bereiken.

Schrijven voor publiek

Stel jezelf bij het schrijven altijd de vraag: wat weten mijn lezers al en wat moeten zij nog weten? Pas hierop je tekst aan:

Jong publiek: spreek de lezers aan met 'je' of 'jij' en gebruik actieve, moderne zinnen. Zorg voor een aantrekkelijke lay-out met sprekende koppen en afbeeldingen.

Volwassen publiek: spreek de lezers netjes aan met 'u' en houd de lay-out rustig en overzichtelijk.

Een voorbeeld van een onderwerp dat je op verschillende manieren kunt beschrijven is reisziekte. De bekendste vorm hiervan is zeeziekte (misselijkheid door het schommelen van een boot). In de auto noemen we dit wagenziekte en in een pretpark heet het bewegingsziekte. Voor volwassenen schrijf je dit zakelijk op, terwijl je voor jongeren een actieve en herkenbare toon gebruikt.

Spreken voor publiek

Als je spreekt voor een groep luisteraars, gelden dezelfde regels:

Taalgebruik: pas je woorden en zinnen aan. Gebruik bij een jong publiek woorden die zij begrijpen en spreek enthousiast. Gebruik bij een volwassen publiek een nettere toon. Gebruik nooit woorden waarvan je de betekenis zelf niet kent.

Inhoud: vertel geen dingen die iedereen al weet, maar breng nieuws of geef interessante voorbeelden.

Woordenschat

Het begrijpen van de tekst hangt nauw samen met je woordenschat. Als je een onbekend woord tegenkomt, kun je verschillende strategieën gebruiken om de betekenis te achterhalen.

Woordbetekenissen vinden

Je kunt de betekenis van een onbekend woord op de volgende manieren vinden:

1.Zoek in de tekst naar een synoniem (een ander woord met dezelfde betekenis).

2.Zoek in de tekst naar de betekenis of een omschrijving van het woord.

3.Zoek in de tekst naar een voorbeeld (let op signaalwoorden zoals 'zoals' of 'bijvoorbeeld').

4.Zoek in de tekst naar een tegenstelling (let op signaalwoorden zoals 'maar' of 'echter').

5.Zoek in het onbekende woord naar een bekend woorddeel en let op voor- of achtervoegsels.

6.Zoek het woord op in een woordenboek en kies de betekenis die het beste in de zin past.

Let op: woorden kunnen een letterlijke of een figuurlijke betekenis hebben. Bij een figuurlijke betekenis bedoelt de schrijver niet precies wat er staat, maar gebruikt hij beeldspraak.

Belangrijke vakwoorden

De volgende woorden moet je uit je hoofd kennen voor de toets:

bestemming: de plaats waar de reis naartoe gaat (het reisdoel).

tropisch: warm en vochtig, zoals in een tropisch klimaat.

amusement: vermaak, dingen die bedoeld zijn om mensen plezier te geven.

bezienswaardigheden: dingen of plaatsen die het waard zijn om bekeken te worden.

transport: het vervoer van mensen of goederen.

bevolking: alle mensen die in een bepaald land of gebied wonen.

ervaring: iets wat je meemaakt en waardoor je weet hoe het is.

benodigdheden: spullen die je nodig hebt voor een bepaald doel.

gewoonte: iets wat men altijd op een vaste manier doet.

Uitdrukkingen

Ken ook de betekenis van deze vaste uitdrukkingen:

alle zeilen bijzetten: alles doen wat mogelijk is om iets te laten lukken.

het hoofd koel houden: rustig blijven en niet in paniek raken.

iets laten rusten: tijdelijk stoppen met praten of nadenken over een bepaald onderwerp.

met de noorderzon vertrekken: stiekem vertrekken zonder dat iemand het merkt.

niet warm of koud van iets worden: je ergens helemaal niets van aantrekken.

nog verder van huis raken: nog dieper in de moeilijkheden komen.

Taalverzorging: spelling van meervouden

De meeste zelfstandige naamwoorden hebben een meervoud dat eindigt op -en of -s.

Meervouden op -en

Je maakt een meervoud op -en door deze letters achter het woord te zetten (bijvoorbeeld: tent - tenten). Soms verandert er echter iets aan de spelling van het grondwoord:

Verdubbelen van de medeklinker (bij een korte klinkerklank): bus - bussen, rugzak - rugzakken.

Weghalen van een klinker (bij een lange klinkerklank): bioscoop - bioscopen, kampvuur - kampvuren.

De letter -s verandert in een -z-: advies - adviezen, reis - reizen.

De letter -f verandert in een -v-: brief - brieven, druif - druiven.

Woorden die eindigen op -ee of -ie krijgen een trema op de laatste e (-ën) om de uitspraak te verduidelijken: idee - ideeën, knie - knieën, kopie - kopieën.

Sommige woorden hebben een meervoud op -eren: ei - eieren, kind - kinderen, lied - liederen, rund - runderen.

Meervouden op -s

Bij veel woorden schrijf je de -s direct aan het woord vast (bijvoorbeeld: file - files, station - stations, cadeau - cadeaus). Je gebruikt echter een apostrof ('s) in de volgende gevallen:

Als het woord eindigt op een enkele lange klinker (a, i, o, u, y) en je het woord zonder apostrof verkeerd zou uitspreken: pagina - pagina's, ski - ski's, foto - foto's, ijslolly - ijslolly's, baby - baby's.

Taalverzorging: werkwoordspelling

Om een werkwoord correct te spellen, moet je eerst bepalen of het werkwoord de persoonsvorm is. Dit doe je met de tijdproef: zet de zin in een andere tijd. Het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm.

Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd

In de tegenwoordige tijd gelden de volgende regels:

Enkelvoud (ik-vorm): schrijf de stam van het werkwoord. Voorbeeld: Ik droom over het strand.

Enkelvoud (jij, hij, zij, of een naam): schrijf de stam + t. Voorbeeld: Fiona droomt over het strand. Let op: als 'jij' of 'je' achter het werkwoord staat, schrijf je alleen de stam (Droom je?), behalve als 'je' een bezittelijk voornaamwoord is (Droomt je broer?).

Meervoud (wij, jullie, zij): schrijf het hele werkwoord (de infinitief). Voorbeeld: Wij dromen over het strand.

Persoonsvorm in de verleden tijd

In de verleden tijd maken we onderscheid tussen zwakke en sterke werkwoorden:

Zwakke werkwoorden (klankvast): schrijf de stam + -te(n) of -de(n). Je bepaalt of je -te of -de schrijft met 't ex-kofschip. Kijk naar de laatste letter van de stam van het werkwoord (het hele werkwoord min -en). Zit deze letter in 't ex-kofschip? Schrijf dan -te(n). Zit de letter er niet in? Schrijf dan -de(n). Voorbeeld: wandelen (stam eindigt op l, niet in kofschip) wordt wandelde. starten (stam eindigt op t, wel in kofschip) wordt startte.

Sterke werkwoorden (klankveranderend): deze werkwoorden veranderen van klank in de verleden tijd. Schrijf ze zo kort mogelijk. Voorbeeld: liggen - lag/lagen, kopen - kocht/kochten.

Het voltooid deelwoord

Een voltooid deelwoord geeft aan dat een handeling is afgelopen en staat altijd samen met een hulpwerkwoord (zoals hebben, zijn of worden).

Sterke werkwoorden eindigen in het voltooid deelwoord meestal op -en: gelopen, vertrokken.

Zwakke werkwoorden eindigen op -t of -d. Je gebruikt de verlengproef of 't ex-kofschip om de laatste letter te bepalen: gevist (van vissen, s zit in 't kofschip), beland (van belanden, d zit niet in 't kofschip).

Taalverzorging: formuleren en schrijven zonder fouten

Foutloos schrijven is belangrijk om ervoor te zorgen dat je lezers je begrijpen. Let bij het schrijven en nakijken altijd op de volgende onderdelen:

Hoofdletters en leestekens

Gebruik hoofdletters aan het begin van een zin en bij eigennamen (personen, plaatsen, merken, rivieren en afleidingen van aardrijkskundige namen zoals Franse). Gebruik geen hoofdletters bij dagen, maanden, seizoenen, windstreken en samenstellingen met religieuze feesten (zoals paasei). Zet een punt aan het einde van een mededelende zin, een vraagteken bij een vraag en een uitroepteken bij extra nadruk. Plaats een komma voor voegwoorden (behalve voor 'en'), tussen twee persoonsvormen en bij een opsomming.

Verwijswoorden

Een verwijswoord verwijst naar een woord dat eerder is genoemd: het antecedent. Het verwijswoord moet passen bij het woordgeslacht en het getal van het antecedent:

Mannelijke woorden (de-woorden): verwijs met hij, hem of zijn.

Vrouwelijke woorden (de-woorden, vaak eindigend op -heid, -ing, -schap, -nis, -ie): verwijs met zij, ze of haar.

Onzijdige woorden (het-woorden en verkleinwoorden): verwijs met het of zijn (nooit haar!). Voorbeeld: Het land en zijn bewoners.

Meervoud: gebruik zij of ze als onderwerp. Let op: de constructie 'hun hebben' is altijd fout! Gebruik hen als lijdend voorwerp of na een voorzetsel, en hun als meewerkend voorwerp of bezittelijk voornaamwoord.

Gebruik dat om te verwijzen naar een specifiek het-woord, en wat om te verwijzen naar een hele zin, een overtreffende trap (het leukste wat...) of een onbepaald voornaamwoord (alles wat...). Verwijs naar personen met een voorzetsel + wie (de vriend met wie...) en naar zaken met waar + voorzetsel (de tent waarin...).