Les over Taalverzorging - Tegenwoordige, verleden en voltooide tijd

Les over Taalverzorging - Tegenwoordige, verleden en voltooide tijd

Gemaakt door Ainstein
Taalverzorging - Tegenwoordige, verleden en voltooide tijd
Deze video bestaat uit
  • Werkwoordspelling persoonsvormWerkwoordspelling persoonsvorm
  • Werkwoordspelling overige werkwoordsvormenWerkwoordspelling overige werkwoordsvormen
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 09:29
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Hoe spel je de tegenwoordige, verleden en voltooide tijd?

Leerdoelen

Je kunt het verschil tussen de tegenwoordige tijd, verleden tijd en voltooide tijd uitleggen en herkennen.

Je kunt de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd correct spellen voor alle personen.

Je kunt de persoonsvorm van sterke en zwakke werkwoorden in de verleden tijd correct spellen.

Je kunt de spellingregels van 't ex-kofschip toepassen op zwakke werkwoorden en voltooide deelwoorden.

Je kunt de spelling van Engelse werkwoorden in het Nederlands correct toepassen in de tegenwoordige en verleden tijd.

De drie werkwoordstijden

In het Nederlands kun je werkwoorden in drie verschillende tijden schrijven. Elke tijd heeft zijn eigen kenmerken en spellingregels:

De tegenwoordige tijd geeft aan dat een handeling nu plaatsvindt.

De verleden tijd geeft aan dat een handeling in het verleden heeft plaatsgevonden.

De voltooide tijd geeft aan dat een handeling is afgerond. Deze tijd herken je aan een hulpwerkwoord (zoals hebben of zijn) in combinatie met een voltooid deelwoord.

In de onderstaande tabel zie je voorbeelden van hoe werkwoorden veranderen per tijd:

Tegenwoordige tijd
Verleden tijd
Voltooide tijd
Ik kook Italiaans.
Ik kookte Italiaans.
Ik heb Italiaans gekookt.
De meisjes voetballen.
De meisjes voetbalden.
De meisjes hebben gevoetbald.
Mark vlucht weg.
Mark vluchtte weg.
Mark is weggevlucht.
Wij reizen per trein.
Wij reisden per trein.
Wij hebben per trein gereisd.
U schrijft een briefje.
U schreef een briefje.
U hebt een briefje geschreven.

Spelling in de tegenwoordige tijd

De spelling van de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd hangt af van het onderwerp van de zin:

Enkelvoud

Ik-vorm: Je gebruikt de ik-vorm van het werkwoord (bijvoorbeeld: ik betaal, ik antwoord).

Ik-vorm + t: Als het onderwerp jij/je, hij/zij/ze, u of een naam is (bijvoorbeeld: jij betaalt, hij antwoordt).

Let op: Als jij of je achter de persoonsvorm staat, gebruik je alleen de ik-vorm (bijvoorbeeld: betaal je?, antwoord je?). Dit geldt alleen als je 'je' kunt vervangen door 'jij'. Als je 'je' moet vervangen door 'jou', gebruik je de ik-vorm + t.

Meervoud

Bij de onderwerpen wij/jullie/zij/ze gebruik je altijd het hele werkwoord (bijvoorbeeld: wij betalen, jullie antwoorden).

Spelling in de verleden tijd

In de verleden tijd maken we onderscheid tussen twee soorten werkwoorden:

Sterke werkwoorden

Sterke werkwoorden veranderen in de verleden tijd van klank (bijvoorbeeld: helpen wordt hielp/hielpen, ruiken wordt rook/roken, schrijven wordt schreef/schreven). Je schrijft deze vormen zo kort mogelijk.

Zwakke werkwoorden

Zwakke werkwoorden veranderen in de verleden tijd niet van klank. Ze eindigen op -te(n) of -de(n). Om te bepalen welke uitgang je gebruikt, volg je de regel van 't ex-kofschip (of 't kofschaap):

Kijk naar de stam van het werkwoord (het hele werkwoord min de uitgang -en).

Eindigt deze stam op een medeklinker uit 't ex-kofschip (t, x, k, f, s, ch, p)? Dan schrijf je de ik-vorm + -te (enkelvoud) of -ten (meervoud). Bijvoorbeeld: werken heeft de stam werk (eindigt op k), dus het wordt werkte(n).

Eindigt de stam niet op een van deze letters? Dan schrijf je de ik-vorm + -de (enkelvoud) of -den (meervoud). Bijvoorbeeld: reizen heeft de stam reiz (eindigt op z), dus het wordt reisde(n).

Het voltooid deelwoord spellen

Het voltooid deelwoord geeft aan dat een handeling is afgerond. De spelling hangt opnieuw af van het soort werkwoord:

Bij sterke werkwoorden begint het voltooid deelwoord meestal met ge- en eindigt het op -en (bijvoorbeeld: gezongen, geschreven).

Bij zwakke werkwoorden begint het voltooid deelwoord met ge- en eindigt het op -t of -d. Je gebruikt hier ook de regel van 't ex-kofschip op de stam van het werkwoord:

Eindigt de stam op een medeklinker uit 't ex-kofschip? Dan eindigt het voltooid deelwoord op een -t (bijvoorbeeld: dansen wordt gedanst).

Eindigt de stam niet op een medeklinker uit 't ex-kofschip? Dan eindigt het voltooid deelwoord op een -d (bijvoorbeeld: goochelen wordt gegoocheld).

Engelse werkwoorden in het Nederlands

Engelse werkwoorden die we in het Nederlands gebruiken, volgen dezelfde Nederlandse spellingregels voor de tegenwoordige en verleden tijd. Je gaat uit van de Nederlandse ik-vorm:

Bij skateboarden is de ik-vorm skateboard. Dit geeft: Tim skateboardt (tegenwoordige tijd) en Tim skateboardde (verleden tijd).

Soms pas je de ik-vorm een klein beetje aan voor de uitspraak. Bij breakdancen schrijf je de ik-vorm als breakdance (zodat de uitspraak klopt). Dit geeft: Stijn breakdancet (tegenwoordige tijd) en Stijn breakdancete (verleden tijd, omdat de klank aan het einde een 's'-klank is die in 't ex-kofschip zit).

Andere voorbeelden zijn:

downloaden: Abel downloadt (tt) - Abel downloadde (vt)

mailen: Nadia mailt (tt) - Nadia mailde (vt)

racen: Omar racet (tt) - Omar racete (vt)

liken: Sara liket (tt) - Sara likete (vt)