Les over Taalverzorging - Verwijswoorden
OB - Nederlands - C3 - Presentatie

Wat zijn verwijswoorden en hoe gebruik je ze correct?
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen wat een verwijswoord is.
•Je kunt het verschil tussen de verwijswoorden me en mijn uitleggen en toepassen.
•Je kunt het verschil tussen de verwijswoorden jou en jouw uitleggen en toepassen.
•Je kunt voor verschillende personen het juiste verwijswoord in het enkelvoud en meervoud kiezen.
Wat zijn verwijswoorden?
Een verwijswoord is een woord dat verwijst naar een persoon, dier, ding of situatie die al eerder is genoemd of die nog genoemd gaat worden. Door verwijswoorden te gebruiken, voorkom je dat je steeds dezelfde woorden in een zin moet herhalen. Hierdoor loopt een tekst veel soepeler.
Het verschil tussen me en mijn
De verwijswoorden me en mijn lijken erg op elkaar, maar je gebruikt ze in verschillende situaties. Het verschil heeft te maken met bezit:
•Je gebruikt mijn als er een bezit direct achter staat. Het gaat dan om iets wat van jou is. Bijvoorbeeld: mijn fiets, mijn moeder of mijn verjaardag.
•Je gebruikt me (of mij) als er geen bezit achter staat. Bijvoorbeeld: Kun je me helpen? of Svenno heeft me uitgenodigd.
Het verschil tussen jou en jouw
Net als bij me en mijn, is bezit de sleutel om te bepalen of je jou of jouw schrijft:
•Je gebruikt jouw als er een bezit achter staat. Bijvoorbeeld: Is dit jouw jas? of Ik vind jouw ideeën heel creatief.
•Je gebruikt jou (of het kortere je) als er geen bezit achter staat. Bijvoorbeeld: Ik zag jou gisteren lopen. of Dennis zal jou om zeven uur ophalen.
Verwijswoorden voor andere personen
Niet alleen voor jezelf (eerste persoon) of de ander (tweede persoon) gebruik je verwijswoorden. Ook voor andere personen (derde persoon) in het enkelvoud en meervoud gelden vaste regels. Hierbij let je opnieuw goed op of het om een bezit gaat of niet.
Persoon | Verwijswoord bij bezit (bezittelijk) | Verwijswoord zonder bezit (persoonlijk) | Voorbeeldzinnen |
|---|---|---|---|
1e persoon enkelvoud (ik) | mijn | mij / me | Ik doe mijn jas aan. / Tobias geeft mij een compliment. |
2e persoon enkelvoud (jij) | jouw / je | jou / je | Jij doe jouw jas aan. / Tobias geeft jou een compliment. |
3e persoon enkelvoud mannelijk (hij) | zijn | hem | Tim doet zijn jas aan. / Tobias geeft hem een compliment. |
3e persoon enkelvoud vrouwelijk (zij) | haar | haar / ze | Carlijn doet haar jas aan. / Tobias geeft haar een compliment. |
3e persoon meervoud (zij) | hun | hun / hen / ze | De kinderen doen hun jas aan. / Tobias geeft hun een compliment. |