Les over Taalverzorging - Persoonsvorm tegenwoordige tijd

Les over Taalverzorging - Persoonsvorm tegenwoordige tijd

Gemaakt door Ainstein
Taalverzorging - Persoonsvorm tegenwoordige tijd
Deze video bestaat uit
  • Werkwoordspelling persoonsvormWerkwoordspelling persoonsvorm
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 03:39
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Hoe spel je de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd?

Leerdoelen

Je kunt de ik-vorm van een werkwoord in de tegenwoordige tijd bepalen.

Je kunt de spellingregels voor de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd toepassen bij verschillende onderwerpen.

Je kunt de lopen-proef gebruiken om de juiste spelling te bepalen bij werkwoorden die eindigen op -den.

Je kunt werkwoorden waarvan de stam eindigt op een -v of -z correct spellen in de ik-vorm.

Wat is de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd?

De persoonsvorm is het werkwoord in de zin dat van vorm verandert als je de zin in een andere tijd zet. In de tegenwoordige tijd geeft dit werkwoord aan wat er nu gebeurt. Om de persoonsvorm correct te spellen, neem je altijd de ik-vorm van het werkwoord als uitgangspunt.

Hoe vind je de ik-vorm?

De ik-vorm is de vorm van het werkwoord die in de tegenwoordige tijd achter het woord 'ik' staat. Je vindt deze vorm door van het hele werkwoord de uitgang -en af te halen en de spelling aan te passen waar dat nodig is voor een juiste uitspraak. Bijvoorbeeld:

Hele werkwoord: slapen → ik slaap → de ik-vorm is slaap.

Spellingregels voor de tegenwoordige tijd

Hoe je de persoonsvorm schrijft, hangt af van het onderwerp van de zin. Er zijn drie hoofdsituaties: de ik-vorm, de ik-vorm + t, en het hele werkwoord.

Onderwerp
Spellingregel
Voorbeeld: zeggen
Voorbeeld: kopen
Voorbeeld: vinden
ik of jij/je (achter de persoonsvorm)
ik-vorm
ik zeg / zeg jij/je?
ik koop / koop jij/je?
ik vind / vind jij/je?
jij/je (voor de persoonsvorm), hij/zij/het of een enkelvoud
ik-vorm + t
jij/je zegt / hij zegt
jij/je koopt / hij koopt
jij/je vindt / hij vindt
wij, jullie of zij/ze (meervoud)
hele werkwoord
wij/jullie/zij zeggen
wij/jullie/zij kopen
wij/jullie/zij vinden

Bijzondere spellingregels

Bij sommige werkwoorden moet je extra goed opletten bij het bepalen van de juiste spelling.

Werkwoorden op -v of -z

Als het hele werkwoord een -v of -z in de stam heeft, verandert de laatste letter in de ik-vorm. Een -v verandert in een -f en een -z verandert in een -s. Bijvoorbeeld:

schrijven → Ik schrijf een e-mail. (de -v wordt een -f)

verhuizen → Ik verhuis volgende week. (de -z wordt een -s)

De 'lopen'-proef bij werkwoorden op -den

Bij werkwoorden die eindigen op -den hoor je bij de uitspraak niet of er een -t achter de ik-vorm moet komen. De woorden 'vind' en 'vindt' klinken namelijk precies hetzelfde. Om te controleren of je een -t moet schrijven, gebruik je de lopen-proef. Je vervangt het werkwoord in gedachten door het werkwoord 'lopen':

Hoor je bij 'lopen' een -t (loopt)? Dan schrijf je bij jouw werkwoord ook een -t achter de ik-vorm.

Hoor je bij 'lopen' geen -t (loop)? Dan schrijf je alleen de ik-vorm.

Voorbeelden:

Ik vind Samir grappig. → Denk aan: Ik loop → Je hoort geen -t, dus je schrijft alleen de ik-vorm: vind.

Anke vindt samenwerken vervelend. → Denk aan: Anke loopt → Je hoort een -t, dus je schrijft de ik-vorm + t: vindt.