Les over Taalverzorging - Persoonsvorm en onderwerp
Persoonsvorm
Onderwerp

Persoonsvorm en onderwerp: hoe vind je ze in een zin?
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen wat een persoonsvorm en een onderwerp zijn.
•Je kunt de persoonsvorm in een zin vinden met de vraagproef en de tijdproef.
•Je kunt het onderwerp in een zin vinden met de wie- of wat-vraag.
De persoonsvorm
Elke zin heeft een persoonsvorm. Dit is altijd een werkwoord. Er zijn twee manieren om de persoonsvorm in een zin te vinden.
Manier 1: de vraagproef
Bij de vraagproef maak je van de zin een vraagzin met precies dezelfde woorden. Het werkwoord dat vooraan komt te staan, is de persoonsvorm.
•Voorbeeld: Lianne heeft veel vriendinnen. wordt: Heeft Lianne veel vriendinnen? Het werkwoord heeft staat vooraan en is dus de persoonsvorm.
•Voorbeeld: Het huis is helemaal opnieuw geschilderd. wordt: Is het huis helemaal opnieuw geschilderd? Het werkwoord is staat vooraan en is dus de persoonsvorm.
Manier 2: de tijdproef
Bij de tijdproef zet je de zin in een andere tijd. Als de zin in de tegenwoordige tijd staat, maak je er verleden tijd van (of andersom). Het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm.
•Voorbeeld: Hoeveel vriendinnen heeft Lianne? wordt in de verleden tijd: Hoeveel vriendinnen had Lianne? Het werkwoord heeft verandert in had en is dus de persoonsvorm.
•Voorbeeld: Wat is er met het huis gebeurd? wordt in de verleden tijd: Wat was er met het huis gebeurd? Het werkwoord is verandert in was en is dus de persoonsvorm.
Het onderwerp
Bijna elke zin heeft een onderwerp. De persoonsvorm en het onderwerp horen altijd bij elkaar. Als je het onderwerp en de persoonsvorm achter elkaar zet, ontstaat er een korte, kloppende zin.
Stappenplan om het onderwerp te vinden
Je vindt het onderwerp door de volgende stappen te volgen:
1.Zoek eerst de persoonsvorm van de zin.
2.Stel de vraag: wie of wat + persoonsvorm? Het antwoord op deze vraag is het onderwerp.
Voorbeelden
Hieronder zie je hoe je dit stappenplan toepast:
•Zin: Na het feest gingen de vrienden op de fiets naar huis.
•Stap 1: De persoonsvorm is gingen.
•Stap 2: Stel de vraag: wie gingen? Het antwoord is de vrienden. Dit is het onderwerp.
•Zin: Onder de boom stond een bankje.
•Stap 1: De persoonsvorm is stond.
•Stap 2: Stel de vraag: wat stond? Het antwoord is een bankje. Dit is het onderwerp.