Les over Taalverzorging - Tegenwoordige en verleden tijd

Les over Taalverzorging - Tegenwoordige en verleden tijd

Gemaakt door Ainstein
Taalverzorging - Tegenwoordige en verleden tijd
Deze video bestaat uit
  • Werkwoordspelling persoonsvormWerkwoordspelling persoonsvorm
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 08:29
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Hoe schrijf je de tegenwoordige en verleden tijd?

Leerdoelen

Je kunt uitleggen wat een persoonsvorm is en hoe je deze herkent in een zin.

Je kunt de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd correct spellen in het enkelvoud en meervoud.

Je kunt de persoonsvorm van zwakke en sterke werkwoorden in de verleden tijd juist schrijven.

Wat is een persoonsvorm?

De persoonsvorm (pv) is het werkwoord in de zin dat van tijd kan veranderen. De persoonsvorm staat in de tegenwoordige tijd (tt) of in de verleden tijd (vt). Je kunt de persoonsvorm gemakkelijk herkennen door de zin in een andere tijd te zetten (de tijdproef). Het werkwoord dat dan van vorm verandert, is de persoonsvorm.

De persoonsvorm in de tegenwoordige tijd

In de tegenwoordige tijd gelden er duidelijke regels voor het spellen van de persoonsvorm in het enkelvoud en meervoud:

Aantal
Regel
Voorbeelden
Enkelvoud
ik-vorm bij ik
ik werk, loop ik
Enkelvoud
ik-vorm bij je/jij achter de persoonsvorm
word je, luister jij
Enkelvoud
ik-vorm + t voor de rest (jij, hij, zij, u, namen)
jij vindt, meneer Soares werkt, Lisa fietst
Meervoud
het hele werkwoord
wij slapen, de leerlingen lachen

De persoonsvorm in de verleden tijd

In de verleden tijd maken we onderscheid tussen zwakke werkwoorden en sterke werkwoorden.

Zwakke werkwoorden

Zwakke werkwoorden veranderen in de verleden tijd niet van klank. Je spelt ze door de ik-vorm te nemen en daar een uitgang achter te plakken:

Aantal
Regel
Voorbeelden
Enkelvoud
ik-vorm + de
Jordy gooide, de appeltaart verbrandde
Enkelvoud
ik-vorm + te
ik kookte, mijn vader sportte
Meervoud
ik-vorm + den
jullie slenterden, alle kinderen raadden
Meervoud
ik-vorm + ten
de wandelaars sjokten, wij praatten

Om te bepalen of je de uitgang met een d of een t schrijft, gebruik je de regel van 't ex-kofschip (of 't kofschaap). Als de stam van het hele werkwoord (het hele werkwoord min -en) eindigt op een van de medeklinkers uit 't ex-kofschip (t, x, k, f, s, ch, p), dan gebruik je de uitgang met een t. In alle andere gevallen gebruik je de uitgang met een d.

Sterke werkwoorden

Sterke werkwoorden veranderen in de verleden tijd wel van klank. Je schrijft deze werkwoorden zo kort mogelijk.

ik kocht (van kopen)

mijn vrienden vonden (van vinden)

de collega's bedachten (van bedenken)

Tommie werd (van worden)