Les over 1 Grenzen

Les over 1 Grenzen

Gemaakt door Ainstein
1 Grenzen
Deze video bestaat uit
  • De tekststructuurDe tekststructuur
  • Het onderwerp en de hoofdgedachte van een tekstHet onderwerp en de hoofdgedachte van een tekst
  • Woordenschat: onbekende woorden en beeldspraak Woordenschat: onbekende woorden en beeldspraak
  • OB - Nederlands - D2 - PresentatieOB - Nederlands - D2 - Presentatie
  • Werkwoordspelling persoonsvormWerkwoordspelling persoonsvorm
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 21:39
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Nederlands samenvatting Grenzen: taal, spelling en lezen

Leerdoelen

Je kunt het verschil tussen hoofdzaken en bijzaken in een tekst uitleggen.

Je kunt het onderwerp en de hoofdgedachte van een tekst bepalen en formuleren.

Je kunt verschillende tekststructuren herkennen en benoemen.

Je kunt op een correcte en duidelijke manier een digitaal of papieren formulier invullen.

Je kunt betrouwbare informatie selecteren uit videofragmenten met behulp van de 5W+H-vragen.

Je kunt effectief informatie verzamelen door een interview voor te bereiden en uit te voeren.

Je kunt de betekenis van onbekende woorden achterhalen met verschillende leesstrategieën.

Je kunt het verschil tussen letterlijk en figuurlijk taalgebruik en diverse vormen van beeldspraak uitleggen.

Je kunt hoofdletters en leestekens, zoals de komma en aanhalingstekens bij citaten, correct toepassen.

Je kunt de persoonsvorm in de tegenwoordige en verleden tijd foutloos spellen volgens de spellingsregels.

Lezen: Hoofdzaken, hoofdgedachte en tekststructuren

Een tekst is opgebouwd uit verschillende onderdelen die samenhangen. Om een tekst goed te begrijpen, is het belangrijk om de belangrijkste informatie te kunnen scheiden van de details.

De opbouw van een tekst

Een tekst bestaat meestal uit drie vaste onderdelen:

De inleiding: dit is het begin van de tekst. Het maakt de lezer nieuwsgierig en introduceert het onderwerp. Soms begint een inleiding met een anekdote of een actueel voorbeeld.

Het middenstuk: dit is het grootste deel van de tekst. Hierin wordt dieper op het onderwerp ingegaan en worden verschillende aspecten belicht. Het middenstuk bestaat uit meerdere alinea's.

Het slot: dit is het einde van de tekst. Het bevat meestal een korte samenvatting of een conclusie. Soms sluit het slot aan op de inleiding door bijvoorbeeld een vraag te beantwoorden.

Elke alinea in het middenstuk heeft een eigen kernzin. Dit is de belangrijkste zin van een alinea. Je vindt de kernzin meestal aan het begin (de eerste of tweede zin) of aan het einde (de laatste zin) van een alinea.

Hoofdzaken en bijzaken

Tijdens het lezen kom je twee soorten informatie tegen:

Hoofdzaken: dit is de belangrijkste informatie van de tekst. Je leest hoofdzaken vooral in de inleiding, het slot en in de kernzinnen van de alinea's. Ook tussenkopjes en anders gedrukte woorden helpen je om de hoofdzaken te vinden.

Bijzaken: dit is de overige informatie die de hoofdzaken verduidelijkt. Bijzaken bestaan vaak uit uitleg, toelichtingen of voorbeelden.

Onderwerp en hoofdgedachte

Het onderwerp van een tekst is datgene waar de hele tekst over gaat. Je formuleert het onderwerp altijd in één woord of een korte woordgroep, en nooit in een hele zin. Het onderwerp bevat dus geen persoonsvorm. Je kunt het onderwerp bepalen door te kijken naar de titel, de eerste alinea, tussenkopjes, anders gedrukte woorden en afbeeldingen. Het grammaticale onderwerp is iets anders: dit is een zinsdeel dat nauw verbonden is met de persoonsvorm in een specifieke zin. In het middenstuk van een tekst wordt het hoofdonderwerp opgedeeld in verschillende deelonderwerpen. Dit zijn specifieke aspecten of kanten van het hoofdonderwerp die per alinea of per groepje alinea's worden besproken. De hoofdgedachte is het belangrijkste wat de schrijver over het onderwerp vertelt. Je formuleert de hoofdgedachte altijd in één volledige, mededelende zin (dus nooit als vraag). Je vindt de hoofdgedachte vaak in de inleiding of in het slot van de tekst. Om de hoofdgedachte te vinden, stel je jezelf de vraag: Wat is het belangrijkste wat in de tekst over het onderwerp wordt gezegd?

Tekststructuren

Schrijvers ordenen hun informatie volgens vaste patronen. Dit noemen we tekststructuren. In de onderstaande tabel zie je de zeven belangrijkste structuren met hun vaste opbouw:

Structuur
Inleiding
Middenstuk
Slot
Argumentatiestructuur
Standpunt
Argumenten
Herhaling van het standpunt
Aspectenstructuur
Onderwerp
Aspecten van het onderwerp
Samenvatting
Verklaringsstructuur
Verschijnsel
Voorbeelden en verklaringen
Samenvatting of conclusie
Voor- en nadelenstructuur
Vraag of standpunt
Voor- en nadelen
Afweging en conclusie
Probleem-oplossingsstructuur
Probleem
Oorzaken, gevolgen en oplossingen
Beste oplossing
Verleden-heden-toekomststructuur
Onderwerp
Situatie vroeger en nu
Verwachting of conclusie
Vraag-antwoordstructuur
Vraag
Antwoorden
Beste of meest voor de hand liggende antwoord

Vormen van toerisme

In teksten over reizen en vakantie worden vaak drie specifieke vormen van toerisme onderscheiden:

Ecotoerisme: een vorm van toerisme waarbij verantwoord met de natuur wordt omgegaan. De lokale bevolking verdient hier direct geld aan (bijvoorbeeld door entreegelden of rondleidingen), waardoor zij gemotiveerd is om de natuur te beschermen.

Duurzaam toerisme: toerisme waarbij rekening wordt gehouden met de effecten op de lange termijn. De natuur en de mensen mogen geen schade ondervinden. Dit uit zich bijvoorbeeld in het gebruik van groene energie en het bouwen buiten kwetsbare gebieden.

Natuurtoerisme: alle vormen van toerisme waarbij het verblijven in of omgaan met de natuur het hoofddoel is, zoals een safari of bergbeklimmen.

Schrijven: Een formulier invullen

Een formulier is een document (op papier of digitaal) waarmee je gestructureerde informatie aan een persoon of instantie geeft. Soms is er op een formulier ruimte voor een toelichting, waarin je in je eigen woorden een uitleg of mening kunt opschrijven. Op formulieren wordt vaak gewerkt met verplichte velden. Dit zijn velden die je absoluut moet invullen om het formulier geldig te maken of te kunnen verzenden. Ze zijn vaak te herkennen aan een sterretje (*). Als je een papieren formulier invult, is het belangrijk om in duidelijke blokletters (losse letters) te schrijven, zodat je handschrift voor iedereen leesbaar is. Hoe vul je een formulier correct in? Volg deze stappen:

1.Lees het formulier eerst helemaal door en let goed op de invulinstructies.

2.Schrijf een eventuele toelichting eerst in het klad en controleer deze op inhoud en spelling.

3.Controleer of je alle verplichte velden hebt ingevuld en of er geen spelfouten in staan.

4.Schrijf bij een papieren formulier duidelijk leesbaar in blokletters.

Kijken en luisteren: Informatie selecteren

Als je informatie zoekt voor een presentatie of een werkstuk, moet je kritisch te werk gaan. Dit proces noemen we informatie selecteren. Tijdens het kijken en luisteren naar een programma of video maak je aantekeningen om de belangrijkste punten te onthouden. Hierbij schrijf je alleen de hoofdzaken op. Om te bepalen of je informatie kunt gebruiken, moet je letten op de betrouwbaarheid. Betrouwbare informatie komt van een deskundige bron en is objectief. Let bij het selecteren van informatie op de volgende vier punten:

Het doel van het programma (wil de maker informeren, overtuigen of amuseren?).

Het begin van de video (hierin worden meestal het onderwerp en de deelonderwerpen geïntroduceerd).

Signalen van de sprekers (woorden die een opsomming, nadeel of voorbeeld aankondigen).

De beelden (deze kunnen extra informatie geven of de gesproken tekst verduidelijken).

Om de kern van de informatie snel te analyseren, gebruik je de 5W+H-vragen. Dit zijn de vragen: Wie? Wat? Waar? Wanneer? Waarom? en Hoe?

Spreken en gesprekken: Informatie verzamelen

Het actief vergaren van kennis voor een opdracht noemen we informatie verzamelen. Dit kun je doen via teksten en video's, maar ook door rechtstreeks met mensen te praten. Een effectieve methode is het voeren van een informatief gesprek of een interview. Dit is een doelgericht gesprek waarin je vragen stelt aan een persoon om specifieke informatie te verkrijgen. Om betrouwbare informatie te krijgen, kies je bij voorkeur een deskundige als gesprekspartner. Tijdens een interview is het belangrijk om te letten op de techniek van het doorvragen. Dit betekent dat je aanvullende vragen stelt wanneer de gesprekspartner een onduidelijk, ontwijkend of onvolledig antwoord geeft. Zo dwing je de ander om concreter te worden of meer details te geven.

Woordenschat: Betekenis van onbekende woorden

Wanneer je tijdens het lezen een onbekend woord tegenkomt, kun je verschillende leesstrategieën toepassen om de betekenis te achterhalen.

Strategieën voor onbekende woorden

Probeer de betekenis te vinden met de volgende stappen:

1.Zoek in de tekst naar een synoniem: een ander woord met ongeveer dezelfde betekenis.

2.Zoek in de tekst naar een tegenstelling: een woord met de tegenovergestelde betekenis.

3.Zoek in de tekst naar een voorbeeld: let hierbij op signaalwoorden zoals bijvoorbeeld of zoals.

4.Zoek in de tekst naar een omschrijving: soms legt de schrijver de betekenis direct uit in de zinnen rondom het woord.

5.Zoek naar een bekend woorddeel: ontrafel het woord. Het achtervoegsel -loos in grenzeloos betekent bijvoorbeeld 'zonder'.

6.Gebruik een woordenboek: zoek het woord op en kies de betekenis die het beste in de context van de tekst past.

Letterlijk en figuurlijk taalgebruik

Taal kan op twee manieren worden gebruikt:

Letterlijk: de woorden betekenen precies wat er staat.

Figuurlijk: de woorden hebben een andere, diepere betekenis die je niet letterlijk moet nemen.

Binnen het figuurlijk taalgebruik maken we onderscheid tussen vaste verbindingen:

Een spreekwoord: een onveranderlijke, volledige zin die een algemene wijsheid of levensles bevat (bijvoorbeeld: niet geschoten is altijd mis).

Een gezegde: een vaste woordcombinatie zonder werkwoord die geen volledige zin vormt en geen levensles bevat (bijvoorbeeld: op de valreep).

Een uitdrukking: een vaste woordcombinatie met een werkwoord die je kunt aanpassen aan het onderwerp, maar die geen levensles bevat (bijvoorbeeld: lachen als een boer met kiespijn).

Beeldspraak

Bij beeldspraak gebruik je figuurlijk taalgebruik waarbij een object wordt vergeleken met of vervangen door een beeld. De vier belangrijkste vormen zijn:

Vergelijking: het object en het beeld worden allebei genoemd en met elkaar verbonden door een woord als als of zoals (bijvoorbeeld: jouw kamer is als een zwijnenstal).

Metafoor: alleen het beeld wordt genoemd; het eigenlijke object is weggelaten (bijvoorbeeld: ruim die zwijnenstal eens op!).

Personificatie: een levenloos object of abstract begrip krijgt menselijke eigenschappen (bijvoorbeeld: de wind huilt door de bomen).

Metonymie: er is een logisch verband tussen het object en het beeld, maar dit is niet gebaseerd op een vergelijking. Dit kan bijvoorbeeld een deel voor het geheel zijn (de koppen tellen), het voorwerp voor de inhoud (nog een glas graag), of de plaats voor de bewoners (Groningen schrok zich een hoedje).

Hoofdstukwoorden (Thema: Grenzen)

In dit hoofdstuk staan de volgende specifieke begrippen centraal:

Dilemma: een moeilijke keuze tussen twee alternatieven die allebei nadelen hebben.

Continu: voortdurend, zonder ophouden.

Effectiviteit: de mate waarin een bepaald middel zijn doel bereikt; het nut of de doeltreffendheid.

Eventueel: mogelijk, als het zich voordoet.

In opdracht van: als taak gegeven door, aan het werk gezet door.

Vermoeden: denken dat iets waarschijnlijk zo is, zonder dat je het zeker weet.

Afhankelijk: de steun of hulp van iets of iemand anders nodig hebbend om te kunnen functioneren of overleven.

Negeren: bewust geen aandacht schenken aan iemand of iets.

Bron: de oorsprong of oorzaak van iets.

Dienen als: de functie hebben van, bedoeld zijn als.

Door middel van: met behulp van, door te gebruiken.

Taalverzorging spelling: Leestekens en hoofdletters

Correct gebruik van leestekens en hoofdletters zorgt ervoor dat een tekst begrijpelijk is en voorkomt spelfouten.

Leestekens

De belangrijkste leestekens en hun regels zijn:

De punt: gebruik je aan het einde van een mededelende zin.

Het vraagteken: gebruik je aan het einde van een vraagzin.

Het uitroepteken: gebruik je aan het einde van een zin met extra nadruk of bij een bevel.

De komma: gebruik je tussen twee persoonsvormen, voor voegwoorden (zoals omdat, want, terwijl, maar; behalve voor en), en tussen de delen van een opsomming.

De puntkomma: gebruik je tussen twee hoofdzinnen die inhoudelijk sterk met elkaar samenhangen. Het woord na de puntkomma krijgt geen hoofdletter.

De dubbele punt: gebruik je voor een opsomming, voor een verklaring of toelichting, en vlak voor een citaat.

De aanhalingstekens: gebruik je om een citaat in te sluiten.

Citeren en de directe/indirecte rede

Wanneer je letterlijk opschrijft wat iemand zegt, ben je aan het citeren. Dit schrijf je in de directe rede. Hierbij gelden de volgende regels:

Zet een dubbele punt voor het citaat.

Begin het citaat met een hoofdletter en zet het tussen aanhalingstekens.

Eindig het citaat met een leesteken (punt, vraagteken of uitroepteken) binnen de aanhalingstekens. Bijvoorbeeld: Jelte vroeg: "Kunt u mij helpen?"

Als het citaat vooraan in de zin staat, gebruik je geen dubbele punt. Je zet een komma na het citaat (buiten de aanhalingstekens) en laat de punt in het citaat weg. Vraagtekens en uitroeptekens blijven wel staan. Bijvoorbeeld: "Ik heb gisteren een hersenschudding opgelopen", vertelde Tim.

In de indirecte rede vertel je in je eigen woorden wat iemand heeft gezegd. Je gebruikt dan geen dubbele punt of aanhalingstekens, maar maakt er een gewone mededelende zin van. Bijvoorbeeld: Tim vertelde dat hij gisteren een hersenschudding had opgelopen.

Hoofdletters

Je gebruikt hoofdletters in de volgende gevallen:

Aan het begin van een zin.

Bij eigennamen (namen van personen, plaatsen, straten, merken, rivieren en landen).

Bij afleidingen van aardrijkskundige namen (bijvoorbeeld: Nederlandse, Franse).

Je gebruikt geen hoofdletters bij windstreken (het zuiden), dagen, seizoenen, seizoensgebonden feesten (paasei, kerstkaart; de feestdag zelf krijgt wel een hoofdletter: Kerstmis), maanden, religies en stromingen (en afleidingen daarvan, zoals islamieten of joodse).

Taalverzorging spelling: Tegenwoordige en verleden tijd

De persoonsvorm is het werkwoord in de zin dat van tijd verandert als je de zin in een andere tijd zet (de tijdproef). De spelling hangt af van de tijd waarin de persoonsvorm staat.

Tegenwoordige tijd (tt)

In de tegenwoordige tijd gelden de volgende regels voor het spellen van de persoonsvorm:

Enkelvoud (ik-vorm): je schrijft alleen de ik-vorm (de stam van het werkwoord) bij het onderwerp 'ik' en wanneer 'je' of 'jij' als onderwerp achter de persoonsvorm staat. Bijvoorbeeld: ik word, word je.

Enkelvoud (ik-vorm + t): je schrijft de ik-vorm + t bij alle andere onderwerpen in het enkelvoud (jij, hij, zij, u, een naam of een ding). Bijvoorbeeld: jij vindt, Lisa fietst.

Meervoud (hele werkwoord): bij meervoudige onderwerpen schrijf je het hele werkwoord. Bijvoorbeeld: wij lopen.

Bij werkwoorden waarvan de stam eindigt op een -d (zoals worden of vinden), hoor je de -t aan het eind niet. Gebruik in gedachten het werkwoord 'lopen' om te controleren of er een -t achter de ik-vorm moet: Aaron zendt (loopt) de e-mail. Bij sommige werkwoorden verandert de laatste letter van de ik-vorm als de infinitief op -ven of -zen eindigt. De stam (het hele werkwoord minus -en) eindigt dan op een v of z, maar de ik-vorm schrijf je met een f of s. Bijvoorbeeld: durven wordt ik durf, niezen wordt ik nies.

Verleden tijd (vt)

In de verleden tijd maken we onderscheid tussen twee soorten werkwoorden:

Zwakke werkwoorden: deze veranderen niet van klank in de verleden tijd. Je schrijft de ik-vorm (stam) + -te(n) of -de(n). Om te bepalen of je -te of -de schrijft, gebruik je de regel van 't ex-kofschip. Je kijkt naar de laatste letter van de stam (het hele werkwoord minus -en). Zit deze medeklinker in 't ex-kofschip? Dan schrijf je -te (enkelvoud) of -ten (meervoud). Zit de letter er niet in? Dan schrijf je -de (enkelvoud) of -den (meervoud). Bijvoorbeeld: werken (stam eindigt op k) wordt werkte; branden (stam eindigt op d) wordt brandde. Let op bij werkwoorden op -ven of -zen: je kijkt naar de v of z van de stam, niet naar de f of s van de ik-vorm. Dus: durven (stam eindigt op v, niet in 't ex-kofschip) wordt durfde.

Sterke werkwoorden: deze veranderen wel van klank in de verleden tijd. Je schrijft ze zo kort mogelijk op, op basis van de klank die je hoort. Bijvoorbeeld: kopen wordt ik kocht, vinden wordt wij vonden.

Engelse leenwerkwoorden

Engelse werkwoorden die in het Nederlands worden gebruikt, worden gespeld volgens de regels van de Nederlandse zwakke werkwoorden. Dit betekent dat je ook hier de ik-vorm neemt en er -te(n) of -de(n) achter zet op basis van 't ex-kofschip. Bijvoorbeeld:

appen (stam eindigt op p, zit in 't ex-kofschip) wordt in de verleden tijd: ik appte.

downloaden (stam eindigt op d-klank, zit niet in 't ex-kofschip) wordt in de verleden tijd: ik downloadde.

relaxen (stam eindigt op x-klank, zit in 't ex-kofschip) wordt in de verleden tijd: ik relaxte.

streamen (stam eindigt op m, zit niet in 't ex-kofschip) wordt in de verleden tijd: ik streamde.