Leerdoelen:
•Je kunt uitleggen wanneer iets een mengsel is.
•Je kent het verschil tussen heterogene en homogene mengsels.
•Je kunt verschillende heterogene mengsels benoemen.
•Je kunt verschillende homogene mengsels benoemen.
Wat is een mengsel?
Een mengsel ontstaat wanneer meerdere soorten moleculen bij elkaar zitten en door elkaar heen zijn gemengd. Denk hierbij aan bijvoorbeeld zand en water, of suiker opgelost in thee.
Er zijn twee verschillende mengsels: heterogeen of homogeen. Het verschil zit in hoe goed de verschillende stoffen met elkaar zijn gemengd.
Heterogene mengsels
Heterogene mengsels zijn makkelijk te scheiden, omdat de stoffen niet goed gemengd zijn. De verschillende soorten moleculen zitten nog als groepjes bij elkaar. Denk bijvoorbeeld aan zand en water: het zand blijft bij elkaar en het water ook. Dit komt doordat het grote groepen moleculen zijn, waardoor je ze relatief eenvoudig kunt scheiden.

Er zijn verschillende soorten heterogene mengsels:
•Een suspensie is een mengsel van een vaste stof in een vloeistof die niet met elkaar mengen.
•Een emulsie bestaat uit twee vloeistoffen die niet met elkaar mengen.
•Nevel is een vaste stof in een gas.
•Mist is een vloeistof in een gas.
•Schuim bestaat uit bellen of gasbellen in een vloeistof of een vaste stof.
Bij al deze voorbeelden zijn er grote groepen van de ene soort moleculen die omgeven worden door de andere soort.
Homogene mengsels
Homogene mengsels zijn veel moeilijker te scheiden, omdat ze juist heel goed gemengd zijn. Alle moleculen zitten prachtig door elkaar heen en zijn moeilijk uit elkaar te halen.

Enkele voorbeelden van homogene mengsels zijn:
•Een oplossing is een stof die opgelost is in een oplosmiddel, zoals suiker in water.
•Een legering is een samengesmolten groep van metalen, zoals brons (koper en tin).
•Een gasmengsel is een mengsel van meerdere gassen die samen in gasvorm voorkomen, zoals lucht (stikstof, zuurstof, etc.).














