- Brandbaarheid
- Hoe goed een stof brandt of vlam vat.
- Concentratie
- Hoeveel van een stof is opgelost in een vloeistof, berekend met massa gedeeld door volume.
- Dichtheid
- Hoeveel massa van een stof er in een bepaald volume past, berekend met massa gedeeld door volume.
- Faseovergang
- Het proces waarbij een stof van de ene fase (vast, vloeibaar, gas) naar de andere overgaat, zoals smelten of koken.
- Geleidbaarheid
- Hoe goed elektriciteit door een stof heen gaat.
- Geur
- Hoe een stof ruikt, bijvoorbeeld zoet of zuur.
- Kamertemperatuur
- Een temperatuur van ongeveer twintig graden Celsius.
- Kleur
- De visuele eigenschap van een stof, zoals wit, oranje, geel of grijs. Goud, zilver en koper zijn geen kleuren.
- Kookpunt
- De temperatuur waarbij een vloeistof overgaat in een gas (kookt).
- Oplosbaarheid
- Hoe goed een stof oplost in een vloeistof.
- Oplosmiddel
- De vloeistof waarin een andere stof wordt opgelost.
- Smaak
- Hoe een stof proeft.
- Smeltpunt
- De temperatuur waarbij een vaste stof overgaat in een vloeistof (smelt).
- Stofeigenschappen
- Kenmerken die gebruikt kunnen worden om een stof te identificeren.