Leerdoelen
•Je kunt de twee grote bondgenootschappen uit de Tweede Wereldoorlog correct benoemen
•Je kunt beargumenteren waarom een totale oorlog veel dodelijker is dan een klassieke oorlog
•Je kunt de twee belangrijkste gebeurtenissen noemen die het einde van de Tweede Wereldoorlog in Europa markeerden
De grote bondgenootschappen van de Tweede Wereldoorlog
Aan de ene kant van de Tweede Wereldoorlog had je de Asmogendheden. Dit waren vooral Nazi-Duitsland, Italië en Japan. Deze landen werden zo genoemd, omdat als je ze op een kaart met elkaar verbindt, ze samen een denkbeeldige 'as' vormen.

Aan de andere kant stonden de Geallieerden. De belangrijkste landen hierin waren Groot-Brittannië, de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten.

Wist je dat deze bondgenootschappen niet vanaf het begin vaststonden? Landen wisselden soms van kant. Zo was de Sovjet-Unie tot 1941 een bondgenoot van Nazi-Duitsland. Dit veranderde toen de nazi's in 1941 Operatie Barbarossa begonnen, een grootschalige aanval op de Sovjet-Unie.
Naast deze grote spelers deden ook veel kleinere landen mee. Bij de Asmogendheden hoorden bijvoorbeeld Kroatië en Roemenië. Bij de Geallieerden vochten landen als Canada en Australië (die bij het Britse Gemenebest hoorden) en ook China in Azië mee.
Wat is een totale oorlog?
Om te begrijpen wat een totale oorlog is, kijken we eerst naar wat een klassieke oorlogsvoering inhield. In een klassieke oorlog stonden twee grote, staande legers tegenover elkaar op een slagveld. Ze vochten met hun wapens en het leger dat aan het einde nog overeind stond, was de winnaar. De enige slachtoffers die hier vielen, waren soldaten. Burgers bleven meestal buiten de gevechten.
Maar bij een totale oorlog gaat het heel anders. Bijna alle mannen die oud genoeg zijn om te vechten, gaan het leger in. Dat betekent dat er bijna niemand meer is om in de fabrieken te werken of op het land te helpen. Om de economie draaiende te houden en de oorlog te kunnen blijven voeren, moeten vrouwen en zelfs kinderen in de industrie aan de slag. Zij produceren wapens, munitie en andere spullen die het leger hard nodig heeft.
Het grootste verschil is het aantal doden. In een totale oorlog vallen veel meer burgerslachtoffers dan in een klassieke oorlog. Waarom? Omdat in een totale oorlog niet alleen soldaten, maar ook burgers en burgerdoelen als "efficiënte" doelwitten worden gezien. Door steden te bombarderen val je namelijk niet alleen de economie direct aan (fabrieken worden verwoest, mensen kunnen niet werken), maar probeer je ook het moraal van het vijandige leger te breken. Want als soldaten horen dat hun families thuis gevaar lopen, kan dat hun vechtlust enorm verminderen.
De Tweede Wereldoorlog in Europa
De Tweede Wereldoorlog in Europa werd op twee grote plekken uitgevochten, vaak genoemd de twee 'fronten': het Oostfront en het Westfront. We bekijken ze allebei.
Het Oostfront
De oorlog in het oosten begon met de Duitse aanval op de Sovjet-Unie (Operatie Barbarossa). De Duitse opmars liep echter vast door de strenge winter. Een cruciaal keerpunt aan het Oostfront was de Slag bij Stalingrad. Hier wisten de Sovjets de nazi's te verslaan. Dit gebeurde op 2 februari 1943. Vanaf dat moment rukten de Sovjets langzaam maar zeker op richting Berlijn.
De opmars ging erg snel toen ze eenmaal in Duitsland waren; in januari 1945 kwamen ze aan in Duitsland en in april waren ze al in Berlijn.
Op 30 april 1945 pleegde Hitler zelfmoord in zijn bunker in Berlijn, terwijl de Sovjets al in de stad waren. Zijn lichaam werd verbrand, en er bleef bijna niets van over, behalve een kaakbeen.

Het Westfront
Aan het Westfront wilden de Geallieerden (onder andere Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en Canada) ook doorbreken in continentaal Europa. Dit deden ze met D-day, ook wel 'Decision Day' genoemd. Op 6 juni 1944 voerden de Geallieerden een enorme aanval uit op de stranden van Normandië in Frankrijk. Dit was een bijzonder belangrijke gebeurtenis en wordt gezien als het keerpunt aan het Westfront.

Na D-day werden Frankrijk en België vrij snel bevrijd. De bevrijding van Nederland verliep iets anders: alleen het deel onder de grote rivieren werd bevrijd. Boven de grote rivieren liep Operatie Market Garden vast, een poging om met parachutisten en grondtroepen snel door te stoten tot in Duitsland. Hierdoor bleef het noorden van Nederland langer bezet.
Het uiteindelijke doel van de Geallieerden was om zo snel mogelijk naar Berlijn te gaan, waar ze met de Sovjettroepen zouden samenkomen. Uiteindelijk gaf Duitsland zich formeel over op 8 mei 1945. Dit moment wordt de capitulatie genoemd en betekende het einde van de oorlog in Europa.

Burgerslachtoffers
Burgerslachtoffers zijn enorm moeilijk om te voorkomen. Omdat de hele samenleving in een totale oorlog in dienst staat van het oorlogsdoel. Fabrieken, transportlijnen en zelfs de moraal van de bevolking worden gezien als onderdeel van de oorlogsinspanning. Als iedereen, van soldaat tot fabriekswerker, bijdraagt aan de oorlog, dan worden ook zij en hun omgeving een potentieel doelwit.












