Gebruik de vijf feiten (1-5) hieronder.
Noteer achter de letters A-F telkens [oorzaak] of [gevolg].
1. Handelaren en ambachtslieden gingen in steden wonen.
2. De landbouw bracht meer op.
3. De bevolking groeide.
4. Boeren verbeterden hun landbouwtechnieken.
5. Boeren breidden de landbouwgrond uit.
A. Feit 1 is (oorzaak / gevolg) van feit 4.
B. Feit 1 is (oorzaak / gevolg) van feit 3.
C. Feit 2 is (oorzaak / gevolg) van feit 4.
D. Feit 3 is (oorzaak / gevolg) van feit 2.
E. Feit 3 is (oorzaak / gevolg) van feit 5.
F. Feit 4 is (oorzaak / gevolg) van feit 3.










