Welke staatsvorm had Nederland in 1815 onder koning Willem I?
Leerdoelen
•Je kunt kenmerkende gebeurtenissen en ontwikkelingen in Nederland voor, tijdens en na 1848 herkennen en in de juiste tijd plaatsen.
•Je kunt de kenmerken van liberalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme uitleggen, inclusief belangrijke personen en hun standpunten, tussen 1848 en 1914.
•Je kunt uitleggen wat een parlementaire democratie is en hoe Nederland dat is geworden.
Nederland voor 1848
In 1815 kwam koning Willem I aan de macht in Nederland. Ons land was toen een constitutionele monarchie. Dat betekent dat er wel een grondwet was waar de koning aan gebonden was, maar in de praktijk deed Willem I alles wat hij zelf wilde. Hij was het staatshoofd en de regeringsleider, en koos dus zelf zijn ministers. Hij koos vooral de ministers die hem gehoorzaamden.

De regering bestond toen – en nu nog steeds – uit het staatshoofd (de koning) en de ministers. Het kabinet bestaat uit alle ministers en staatssecretarissen samen. De koning bepaalde dus wie er in de regering en het kabinet zaten. Koning Willem I had alle macht.
Minder macht voor de koning
Er kwam steeds meer kritiek op de koning die alle macht had. Inmiddels was koning Willem II, de opvolger van Willem I, aan de macht. Vooral de liberalen vonden dat er meer democratie en vrijheid moest komen.
In 1848 benoemde koning Willem II de politicus Rudolf Thorbecke. Zijn opdracht was om de grondwet te herzien. Er kwam geen gloednieuwe grondwet, maar de bestaande grondwet werd aangepast.

Grondwetswijziging door Thorbecke
•De koning kreeg veel minder macht. Hij bleef gebonden aan de grondwet, maar moest nu ook verantwoording afleggen aan het parlement.
•Het parlement werd de baas en kreeg de meeste macht. Het parlement werd gekozen door de bevolking.
•Als de koning iets wilde doen, bijvoorbeeld een nieuwe snelweg aanleggen, moest hij eerst goedkeuring vragen aan het parlement.
Nederland werd door deze veranderingen een parlementaire democratie. Dit betekent dat het parlement (dat door de bevolking wordt gekozen) en de ministers de baas zijn en de koning aan het parlement gebonden is.
Het censuskiesrecht
In 1848 werd het censuskiesrecht ingevoerd. Thorbecke vond namelijk dat niet iedereen zomaar kon stemmen. Alleen mensen die verantwoordelijk genoeg waren om een goede keuze te maken, mochten stemmen. En wie waren dat volgens hem? Mensen met een goed inkomen die veel belasting betaalden. In 1917 kregen alle mannen kiesrecht en in 1919 ook de vrouwen. Hiermee was het algemeen kiesrecht in Nederland een feit.
Nieuwe politieke stromingen
Na 1848, en vooral aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, kwamen er verschillende belangrijke politieke stromingen op. Deze stromingen hadden allemaal hun eigen ideeën over hoe Nederland bestuurd moest worden en hoe de samenleving eruit moest zien.
Liberalisme
We hebben de liberalen al even genoemd. Hun belangrijkste kernwaarde is vrijheid (liberté). Zij wilden zo min mogelijk bemoeienis van de overheid. Hoe minder wetten en regels, hoe beter de economie volgens hen kon groeien. Tot ongeveer 1900 waren de liberalen de grootste politieke stroming in Nederland en hadden ze vaak de meeste macht.
Socialisme
Na 1900 kreeg het socialisme steeds meer aanhang. Socialisten streven naar gelijkheid en willen zo min mogelijk verschillen tussen arm en rijk.
Binnen het socialisme waren er twee belangrijke groepen:
1.Radicale socialisten: Zij wilden door middel van revoluties snelle en grote veranderingen doorvoeren.
2.Sociaaldemocraten: Zij wilden veranderingen op een vreedzame manier, door actief te zijn in de politiek en sociale wetten in te voeren.
Karl Marx wordt gezien als de bedenker van het socialisme. Hij wilde een klassenloze samenleving zonder arm en rijk. Volgens hem moesten alle bezittingen van de rijken worden afgenomen en eerlijk worden verdeeld.
In Nederland probeerde Pieter Jelles Troelstra in 1918 een revolutie te beginnen om meer gelijkheid te krijgen. Dat is hem niet gelukt. In Nederland waren de sociaaldemocraten invloedrijker. Zij geloofden dat ze via de politiek en sociale wetten meer gelijkheid konden bereiken, in plaats van via een revolutie.
Confessionalisme
Naast de liberalen en socialisten waren er in Nederland ook de confessionelen. Voor hen was het geloof (de Bijbel) erg belangrijk in de politiek. Deze stroming bestond uit christenen, voornamelijk katholieken en protestanten. Zij wilden dat de politiek uitging van Bijbelse normen en waarden.
Binnen de confessionelen waren er ook belangrijke figuren:
•De protestanten streden vooral voor bijzonder onderwijs (zoals scholen op christelijke grondslag). Ze wilden niet alleen openbaar onderwijs, maar ook dat de overheid christelijk onderwijs betaalde. Abraham Kuyper was hier een belangrijke voorvechter van. Hij richtte in 1879 de eerste politieke partij van Nederland op: de Anti-Revolutionaire Partij (ARP). Deze partij streed sterk voor het bijzondere onderwijs.
•Voor de katholieken was Herman Schaepman een belangrijke leider. Hij wilde dat katholieken, die in het grotendeels protestantse Nederland minder invloed hadden, een belangrijkere rol kregen in de samenleving en de politiek.
Feminisme
Feministen streden voor gelijke rechten voor vrouwen. Een van de meest bekende feministen in Nederland was Aletta Jacobs. Zij wilde stemmen, maar werd geweigerd omdat ze een vrouw was. Dit motiveerde haar om te strijden voor vrouwenkiesrecht. De strijd was succesvol en vrouwen kregen in 1919 kiesrecht.













