Wat is het verband tussen de opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende macht van vorsten?
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen wat de basis legde voor de herleving van de agrarisch-urbane samenleving in Europa vanaf het jaar 1000
•Je kunt verklaren waardoor de zelfstandigheid van steden toenam
•Je kunt de toegenomen macht van vorsten verklaren met voorbeelden
Kenmerkende aspecten
•De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van de agrarisch-urbane samenleving
•De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden
•Het begin van staatsvorming en centralisatie
Herleving van de agrarisch-urbane samenleving
Vanaf ongeveer het jaar 1000 herleefde in Europa de agrarisch-urbane samenleving: een landbouw-stedelijke samenleving waarin de meeste mensen op het platteland werkten, maar een groeiend deel in steden woonde en werkte als handelaar of ambachtsman.
Dit was een herleving, omdat een dergelijke samenleving eerder al had bestaan in de tijd van de Grieken en Romeinen (ca. 3000 v.Chr. – 500 n.Chr.). In de vroege middeleeuwen (500–1000) overheerste juist een autarkische agrarische samenleving, georganiseerd via het hofstelsel.
Oorzaken van verstedelijking
Rond het jaar 1000 kwam een einde aan de invallen van onder andere de Vikingen en ruitervolken zoals de Magyaren. Door deze toegenomen veiligheid konden nederzettingen groeien en kon handel zich herstellen.
Daarnaast bloeide de landbouw. Door ontginningen werd nieuw land geschikt gemaakt voor landbouw, bijvoorbeeld door moerassen droog te leggen. Het drieslagstelsel zorgde ervoor dat de grond vruchtbaar bleef doordat jaarlijks een deel braak lag. Ook de ijzeren ploeg verbeterde de bewerking van zware grond.
Deze vernieuwingen leidden tot landbouwoverschotten. Daardoor groeide de bevolking en konden mensen zich specialiseren in andere beroepen, zoals handel en ambacht. De handel bloeide op, zowel op korte als lange afstand. Handelsnetwerken zoals de Hanze ontstonden. In gebieden als Vlaanderen en Noord-Italië woonde zelfs een groot deel van de bevolking in steden. Belangrijke handelssteden waren bijvoorbeeld Brugge, Gent, Venetië en Genua.
Door deze ontwikkelingen kwam de geldeconomie opnieuw op gang en ontstond opnieuw een agrarisch-urbane samenleving.
Opkomst van de stedelijke burgerij en zelfstandigheid van steden
Door de economische groei trokken veel mensen naar de stad. Het stadsleven bood kansen op werk en welvaart. Bovendien gold het principe: ‘stadslucht maakt vrij’. Wie een jaar en een dag in een stad met stadsrechten woonde, was niet langer gebonden aan een heer.
Steden kochten stadsrechten van een koning of landsheer. Daarmee kregen zij het recht om zichzelf te besturen en eigen rechtspraak te organiseren. Bestuur en rechterlijke macht lagen in handen van schepenen. Vaak vormden rijke kooplieden de stedelijke elite en leverden zij de meeste bestuurders.
Steden met stadsrechten mochten ook stadsmuren bouwen en zichzelf verdedigen. Hierdoor nam hun zelfstandigheid verder toe.

Begin van staatsvorming en centralisatie
De opkomst van steden versterkte ook de positie van vorsten. Stadsrechten leverden geld op, soms als eenmalige betaling en soms als jaarlijkse belasting. Met deze inkomsten konden vorsten hun macht uitbreiden.
Zij investeerden in paleizen en een uitgebreide hofhouding, namen geschoolde ambtenaren in dienst voor efficiënter bestuur en stelden beroepslegers samen. Ook nieuwe wapens, zoals kanonnen, werden ingezet. Daarnaast stimuleerden vorsten kennisontwikkeling, bijvoorbeeld via universiteiten.
Een belangrijke stimulans voor staatsvorming in Engeland en Frankrijk was de Honderdjarige Oorlog. Tijdens deze langdurige oorlog hadden vorsten behoefte aan vaste belastingen, goed georganiseerde legers en centraal bestuur. Hierdoor werden bestuur en wetgeving steeds meer vanuit één centraal gezag geregeld.
Hierdoor werd het leenstelsel minder belangrijk. In plaats van afhankelijk te zijn van edelen die trouw zwoeren, konden vorsten nu betaalde bestuurders en soldaten inzetten.
Staatsvorming betekende dat gebieden steeds meer als één geheel werden bestuurd. Centralisatie hield in dat het bestuur vanuit één centraal punt werd geregeld. In Frankrijk groeide de koninklijke macht sterk in de late middeleeuwen. In Engeland ontwikkelde de macht van de koning zich ook, maar deze bleef beperkt door een grondwet. Hierdoor hadden Engelse vorsten minder absolute macht dan de Franse. In de Lage Landen zette Filips de Goede een stap richting centralisatie door het oprichten van de Staten-Generaal, waarin vertegenwoordigers van steden, adel en geestelijkheid bijeenkwamen.














