Een invulopdracht over de nieuwe Grondwet van 1848:
1.Koning ... (Willem II / Willem III) gaf opdracht tot het schrijven van de nieuwe Grondwet.
2.Door de invoering van de nieuwe Grondwet werd de macht van de koning … (beperkt / uitgebreid).
3.Met de nieuwe Grondwet werd de onschendbaarheid van de koning ... (afgeschaft / ingevoerd).
4.De ministers legden voortaan verantwoording af aan ... (de koning / het parlement).



