Op 26 augustus 1923 schrijft de journalist Friedrich Kroner over wat hij op straat in Berlijn heeft gezien:
Een epidemie van angst, pure nood: kopers vormen lange rijen ( ... ) voor de winkels, eerst voor één, daarna voor alle winkels. Geen ziekte is zo besmettelijk als deze. De rijen hebben iets suggestiefs: de vluchtige blikken van de vrouwen, de inderhaast aangetrokken keukenschorten, hun afgetobde, geduldige gezichten. Van de rijen gaat steeds hetzelfde signaal uit: de stad ( ... ) zal weer leeggekocht worden. Een pond rijst kostte gisteren 80.000 mark, vandaag 160.000 en morgen misschien wel twee keer zoveel; de dag erna zal de man achter de toonbank zijn schouders ophalen [en zeggen]: "Er is geen rijst meer." "Goed, dan noedels graag." "Ook geen noedels meer." Gerst, gort, bonen, linzen - altijd hetzelfde -, kopen, kopen, kopen. Het stukje papier, het gloednieuwe bankbiljet, nog vochtig van het drukken, uitbetaald als weekloon, verschrompelt onderweg naar de kruidenierswinkel in waarde. De nullen, de vermenigvuldiging van nullen.
