Les over 1 Grote problemen voor Duitsland
Republiek van Weimar
Interbellum 1918 - 1939

Duitsland in het interbellum: welke problemen waren er?
Leerdoelen
•Je kunt de drie politieke problemen van de Republiek van Weimar na de Eerste Wereldoorlog beschrijven.
•Je kunt de oorzaak en drie gevolgen noemen van de bezetting van het Ruhrgebied in 1923.
•Je kunt uitleggen hoe de beurskrach in 1929 leidde tot een wereldwijde economische crisis.
Belangrijke jaartallen
•1918: Einde van de Eerste Wereldoorlog en het begin van de Republiek van Weimar.
•1919: Ondertekening van het Verdrag van Versailles door de Duitse regering.
•1923: Bezetting van het Ruhrgebied door Frankrijk en het ontstaan van hyperinflatie.
•1924: Invoering van het Dawesplan door de Verenigde Staten om Duitsland economisch te steunen.
•1926: Duitsland mag alsnog lid worden van de Volkenbond.
•1929: De beurskrach in New York luidt een wereldwijde economische crisis in.
•1933: Einde van de Republiek van Weimar.
De Republiek van Weimar
In 1918 kwam er een einde aan de Eerste Wereldoorlog. De periode tussen de twee wereldoorlogen (1918-1939) noemen we het interbellum. Na het vluchten van de Duitse keizer ontstond er in Duitsland een nieuwe regering die bijeenkwam in het stadje Weimar. Dit was het begin van de Republiek van Weimar, de naam voor Duitsland tussen 1918 en 1933. Het land kreeg een president in plaats van een keizer en werd een parlementaire democratie. Dit betekent dat de macht bij een parlement lag dat door het volk werd gekozen. Voor het eerst mochten ook vrouwen stemmen en gekozen worden.
Politieke problemen
De jonge republiek kreeg direct te maken met drie grote politieke problemen:
•De dolkstootlegende: Een deel van de bevolking gaf de regering de schuld van het verlies van de oorlog. Zij geloofden dat het Duitse leger de oorlog had kunnen winnen als de regering geen wapenstilstand had gesloten. Dit werd gezien als verraad: een 'dolk in de rug' van de soldaten aan het front.
•Het Verdrag van Versailles (1919): De regering moest dit ongunstige vredesverdrag ondertekenen om een nieuwe oorlog te voorkomen. De Duitse bevolking zag het verdrag als een enorme vernedering. Duitsland kreeg de schuld van de oorlog en moest via zware herstelbetalingen alle oorlogsschade vergoeden.
•Internationaal isolement: Andere landen weigerden samen te werken met de Republiek van Weimar. Duitsland mocht als hoofdschuldige van de oorlog bijvoorbeeld geen lid worden van de Volkenbond.
De bezetting van het Ruhrgebied
Naast politieke problemen had Duitsland grote economische problemen. Omdat de regering weinig geld had door de hoge herstelbetalingen, lukte het in 1923 niet meer om te betalen. Als reactie hierop bezette Frankrijk het Duitse Ruhrgebied. Franse troepen namen de controle over de fabrieken en grondstoffen over om zo de opbrengsten op te eisen.

Gevolgen van de bezetting
De bezetting van het Ruhrgebied leidde tot een totale instorting van de Duitse economie door de volgende opeenvolgende gebeurtenissen:
1.Stakingen: Duitse arbeiders in het Ruhrgebied weigerden voor de Fransen te werken en gingen in staking.
2.Geld bijdrukken: De Duitse regering steunde de stakers en besloot hun loon door te betalen. Om dit te financieren, liet de regering massaal geld bijdrukken.
3.Hyperinflatie: Het bijdrukken van geld veroorzaakte een enorme inflatie. Geld werd zo snel minder waard dat mensen kruiwagens vol bankbiljetten nodig hadden voor dagelijkse boodschappen en velen in diepe armoede raakten.

Herstel door het Dawesplan
In 1924 kwamen de Verenigde Staten met het Dawesplan om Duitsland te helpen. Dit plan hield in dat Amerika goedkope leningen verstrekte om de Duitse economie weer op te bouwen. Hierdoor trok Frankrijk zich terug uit het Ruhrgebied, stopte de hoge inflatie en kon Duitsland weer herstelbetalingen doen. Door dit economische herstel verbeterden de internationale relaties en mocht Duitsland in 1926 alsnog lid worden van de Volkenbond.
De wereldwijde economische crisis vanaf 1929
Vanaf 1924 groeide de economie en was er veel optimisme. In de Verenigde Staten leenden burgers en bedrijven gemakkelijk geld om luxeproducten en aandelen te kopen. Men vertrouwde erop dat de economie altijd zou blijven groeien.
De Beurskrach
In 1929 nam de consumptie af en maakten bedrijven minder winst. Het vertrouwen daalde, waardoor aandeelhouders in paniek raakten en massaal hun aandelen probeerden te verkopen. Dit leidde tot een beurskrach: een plotselinge, gigantische daling van de aandelenkoersen op de beurs.

Hierdoor verloren banken, bedrijven en burgers hun geld. Ze konden leningen niet meer afbetalen, waardoor banken en bedrijven failliet gingen en miljoenen Amerikanen werkloos raakten. Dit was het begin van een zware economische crisis.
Wereldwijde gevolgen
Omdat de Verenigde Staten door de crisis veel minder producten uit het buitenland kochten, stortte de wereldhandel in. De crisis verspreidde zich snel over Europa, Zuid-Amerika en Azië. Duitsland werd extra hard getroffen door deze crisis. Het Dawesplan stopte direct en de Amerikaanse leningen moesten onmiddellijk worden terugbetaald. Dit zorgde ervoor dat ook in Duitsland talloze bedrijven failliet gingen en de werkloosheid razendsnel steeg.