Les over 1 Koning en parlement
Een nieuwe grondwet
Herziening van de grondwet

Koning en parlement: hoe verschoof de macht in 1848?
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen hoe de machtsverdeling tussen de koning en het parlement veranderde tussen 1815 en 1848.
•Je kunt twee belangrijke oorzaken noemen voor de grondwetsherziening van 1848.
•Je kunt drie grote politieke en maatschappelijke veranderingen door de grondwetsherziening van 1848 beschrijven.
•Je kunt het verschil uitleggen tussen de manier waarop de Eerste en Tweede Kamer vanaf 1848 werden gekozen.
•Je kunt aan de hand van de Luxemburgse kwestie uitleggen hoe de ministeriële verantwoordelijkheid de macht van het parlement bevestigde.
Belangrijke jaartallen
•1813: Nederland krijgt weer een koning (Willem I) en de macht verschuift naar een monarchie.
•1815: Nederland krijgt zijn eerste grondwet en wordt een constitutionele monarchie; Luxemburg komt bij Nederland.
•1848: Het revolutiejaar in Europa; Thorbecke schrijft een nieuwe, democratische grondwet die de macht van de koning sterk inperkt.
•1849: Willem III volgt zijn vader Willem II op als koning van Nederland.
•1866-1867: De Luxemburgse kwestie zorgt voor een definitieve machtsstrijd waarin het parlement wint van de koning.
Nederland voor 1848: Een machtige koning
Sinds de zestiende eeuw was Nederland grotendeels een republiek geweest, wat betekent dat het een land was zonder koning of keizer. Dit veranderde in 1813 toen er een koning kwam. In 1815 werd Nederland officieel een monarchie: een land met een koning als staatshoofd. In datzelfde jaar kreeg Nederland ook een grondwet. Dit is een document waarin de grondrechten (de basisrechten van alle burgers, zoals vrijheid van meningsuiting, godsdienst en drukpers) en de regels over het bestuur van het land staan opgeschreven. Omdat de macht van de koning (de monarch) hiermee werd vastgelegd in een grondwet (de constitutie), werd Nederland een constitutionele monarchie. De eerste koning, Willem I, had echter zeer veel macht. Hij nam alle belangrijke beslissingen zelfstandig, bepaalde waar het belastinggeld naartoe ging en benoemde de ministers. De koning en de ministers vormden samen de regering. Er was ook een parlement (de volksvertegenwoordiging bestaande uit de Eerste en Tweede Kamer), maar dit parlement had in die tijd nauwelijks iets te vertellen. Omdat de koning veel geld stak in de aanleg van kanalen en een dure oorlog voerde, ontstonden er hoge staatsschulden. Sommige Nederlanders, waaronder het parlementslid Johan Rudolf Thorbecke, wilden daarom de grondwet veranderen.

Het revolutiejaar 1848
In 1848 kreeg Thorbecke de kans om de grondwet te herzien. In dat jaar braken in verschillende Europese landen revoluties uit. Ontevreden burgers gingen de straat op om meer vrijheid en democratie te eisen, en in some landen werden koningen zelfs afgezet. Koning Willem II schrok hier zo erg van dat hij bang was zijn macht te verliezen door een gewelddadige revolutie in Nederland. Om dit te voorkomen, gaf hij Thorbecke de opdracht om een nieuwe, meer democratische grondwet te ontwerpen.

De grote politieke veranderingen van 1848
De nieuwe grondwet zorgde voor ingrijpende veranderingen op het gebied van verantwoordelijkheid, het parlementaire stelsel en de grondrechten van burgers.
Wie is verantwoordelijk?
De koning werd onschendbaar. Dit betekende dat de koning niet langer zelf politiek verantwoordelijk was voor zijn daden en uitspraken. In plaats daarvan werden de ministers verantwoordelijk voor alles wat de koning deed of zei. Dit principe heet de ministeriële verantwoordelijkheid. Ministers moesten voortaan ook aan het parlement uitleggen hoe zij hun werk deden en hoe zij het geld besteedden, terwijl zij dit vóór 1848 alleen aan de koning hoefden uit te leggen. De koning bleef wel het staatshoofd dat de Nederlandse staat vertegenwoordigt, maar hij kon geen belangrijke beslissingen meer zelfstandig nemen.
Het parlementair stelsel
Nederland kreeg een parlementair stelsel, wat betekent dat het parlement voortaan de macht had. Dit parlement werd vanaf 1848 door burgers gekozen:
•De Tweede Kamer werd rechtstreeks door burgers gekozen via een districtenstelsel. Hierbij koos elk kiesdistrict één Kamerlid: de kandidaat met de meeste stemmen in dat district kwam in de Tweede Kamer.
•De Eerste Kamer werd indirect gekozen. Burgers stemden eerst op de leden van de Provinciale Staten (de volksvertegenwoordiging van de provincies), die vervolgens de leden van de Eerste Kamer aanwezen.
Daarnaast kreeg de Tweede Kamer belangrijke nieuwe rechten om de regering te controleren. Naast het al bestaande recht om wetsvoorstellen in te dienen (het recht van initiatief), kreeg de Kamer het recht van amendement (het recht om wetsvoorstellen te wijzigen) en het recht van enquête (het recht om een onafhankelijk onderzoek in te stellen). Ook het recht van interpellatie hoort hierbij, waarmee Kamerleden ministers om uitleg kunnen vragen over hun beleid.

Nieuwe grondrechten
Tot slot kregen Nederlanders meer grondrechten. In 1848 kregen burgers vrijheid van onderwijs en het recht van vereniging en vergadering. Dit laatste betekent dat burgers zich zonder voorafgaande toestemming van de overheid mogen verenigen in bijvoorbeeld een vakbond of een politieke partij.
De Luxemburgse kwestie: Wie is echt de baas?
In 1849 volgde koning Willem III zijn vader op. Hij was ontevreden over de ingeperkte macht van de koning en maakte regelmatig ruzie met het parlement. De definitieve bevestiging dat het parlement echt de macht had in Nederland, kwam door de Luxemburgse kwestie (1866-1867). Luxemburg hoorde sinds 1815 bij Nederland. Willem III wilde Luxemburg buiten het parlement om verkopen. Toen dit bekend werd, waren de Kamerleden woedend over dit zelfstandige optreden van de koning. Vanwege de onschendbaarheid van de koning kon het parlement Willem III niet rechtstreeks de schuld geven, maar door de ministeriële verantwoordelijkheid konden zij wel de ministers aanpakken. Het parlement eiste dat de ministers zouden opstappen. De ministers weigerden dit en kregen steun van Willem III, die vervolgens de Tweede Kamer ontbond en nieuwe verkiezingen uitschreef. Het nieuw gekozen parlement bleef echter net zo fel tegen de plannen van de koning en de ministers. Omdat de koning het parlement niet nogmaals kon ontbinden, moesten de ministers uiteindelijk wel opstappen. Vanaf dat moment moest koning Willem III accepteren dat hij het parlement niet zomaar kon negeren en dat het parlement echt de baas was in Nederland.