Les over §4 De verzorgingsstaat

Les over §4 De verzorgingsstaat

Gemaakt door Ainstein
§4 De verzorgingsstaat
Deze video bestaat uit
  • De verzorgingsstaat en pluriforme samenleving in NederlandDe verzorgingsstaat en pluriforme samenleving in Nederland
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 02:24
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Hoe is de Nederlandse verzorgingsstaat ontwikkeld?

Leerdoelen

Je kunt de maatregelen benoemen die de overheid na de Tweede Wereldoorlog nam.

Je kunt beschrijven hoe de verzorgingsstaat eruitzag en eruitziet.

Je kunt de problemen benoemen die ontstonden in de verzorgingsstaat.

Je kunt het verschil tussen sociale verzekeringen en sociale voorzieningen uitleggen.

Je kunt de maatregelen van de regeringen-Lubbers om de verzorgingsstaat betaalbaar te houden beschrijven.

Belangrijke jaartallen

1948-1958: Willem Drees is minister-president van Nederland.

1951: invoering van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

1952: invoering van de Werkloosheidswet (WW).

1955: de wederopbouw van Nederland is bijna voltooid.

1957: invoering van de Algemene Ouderdomswet (AOW).

1959: invoering van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW).

1965: invoering van de Algemene Bijstandswet (ABW).

1967: invoering van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1982-1994: Ruud Lubbers is minister-president van Nederland.

1996: de AWW verandert in de Algemene Nabestaandenwet (ANW).

Opbouw van de verzorgingsstaat

Na de Tweede Wereldoorlog moest Nederland opnieuw opgebouwd worden door de grote schade aan huizen, wegen en havens. Om dit herstel snel te laten verlopen, ontstond het harmoniemodel: een nauwe samenwerking waarin werknemers, werkgevers en de overheid goed met elkaar overlegden. Arbeiders werkten lange dagen tegen lage lonen zonder veel te klagen. Mede door deze samenwerking en Amerikaanse financiële steun was de wederopbouw rond 1955 bijna klaar en steeg de welvaart. Tussen 1948 en 1958 was Willem Drees (PvdA), ook wel 'Vadertje Drees' genoemd, minister-president. Hij wilde met de stijgende belastinginkomsten armoede bestrijden. Armoede had in de jaren 30 tot veel ontevredenheid geleid, wat de democratie in gevaar kon brengen. De regering begon daarom met het opzetten van een verzorgingsstaat: een maatschappelijk systeem waarin de overheid ervoor zorgt dat niemand in echte armoede hoeft te leven en waarin mensen die niet voor zichzelf kunnen zorgen recht hebben op een uitkering.

Kenmerken van de verzorgingsstaat

De opbouw van de verzorgingsstaat bood iedere Nederlander sociale zekerheid. Dit betekent dat burgers een wettelijk recht hebben op financiële ondersteuning van de overheid wanneer zij niet in hun eigen onderhoud kunnen voorzien. De taken op het gebied van hulpverlening werden hiermee overgenomen van kerken en particuliere organisaties. Er wordt binnen de verzorgingsstaat een belangrijk onderscheid gemaakt tussen twee soorten uitkeringen:

sociale verzekeringen: dit zijn uitkeringen die worden gefinancierd uit premies die automatisch op het loon van werkenden worden ingehouden (werknemersverzekeringen). Deze verzekeringen beschermen burgers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid, ziekte en ouderdom.

sociale voorzieningen: dit zijn uitkeringen die volledig worden betaald uit belastinggeld. Ze zijn bedoeld voor mensen die buiten hun schuld niet kunnen rondkomen en geen recht hebben op een sociale verzekering.

Belangrijke sociale wetten

De overheid voerde in de jaren 50 en 60 diverse wetten in om verschillende doelgroepen te beschermen:

Werkloosheidswet (WW) (1952): biedt een uitkering aan mensen die buiten hun schuld werkloos worden.

Algemene Ouderdomswet (AOW) (1957): geeft iedere Nederlander vanaf een bepaalde leeftijd recht op een basispensioen.

Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) (1959): bood een uitkering aan vrouwen die hun echtgenoot verloren. In 1996 is deze wet vervangen door de Algemene Nabestaandenwet (ANW), die ook geldt voor mannelijke nabestaanden (weduwnaars).

Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) (1967): geeft recht op een uitkering als iemand door gezondheidsproblemen een jaar of langer niet kan werken.

Algemene Kinderbijslagwet (AKW) (1951): een tegemoetkoming uit belastinggeld voor de kosten van de opvoeding en verzorging van kinderen onder de 18 jaar.

Algemene Bijstandswet (ABW) (1965): het belangrijkste voorbeeld van een sociale voorziening. Onder minister Marga Klompé werd hulp hiermee een recht in plaats van een gunst voor iedereen die nergens anders op terug kon vallen.

Problemen en hervormingen

In de jaren 70 kwam er door een economische crisis een einde aan de periode van constante welvaartsgroei. Het aantal werklozen steeg enorm (van 150.000 in 1973 naar 800.000 in 1983), waardoor het aantal een uitkering in de WW en WAO sterk toenam. De uitgaven van de overheid stegen explosief, terwijl de inkomsten daalden. Hierdoor dreigde de verzorgingsstaat onbetaalbaar te worden. Naast financiële problemen ontstonden er ook maatschappelijke neveneffecten:

het aantal echtscheidingen nam toe doordat vrouwen dankzij de Bijstandswet financieel onafhankelijk van hun echtgenoot konden leven;

er ontstond soms misbruik van uitkeringen, doordat het kleine verschil tussen een uitkering en een laag loon de prikkel om te gaan werken wegnam.

Maatregelen van de regeringen-Lubbers

Tussen 1982 en 1994 nam minister-president Ruud Lubbers (CDA) ingrijpende hervormingsmaatregelen om de verzorgingsstaat te saneren:

de voorwaarden om een uitkering te krijgen werden strenger gemaakt;

de hoogte van de uitkeringen werd verlaagd;

de maximale tijdsduur van uitkeringen werd verkort;

er kwamen strengere controles om fraude te bestrijden.

Hoewel deze bezuinigingen leidden tot grote maatschappelijke protesten en demonstraties, herstelde de economie zich halverwege de jaren 90 en daalde de werkloosheid.

Hedendaagse uitdagingen

Tegenwoordig staat de betaalbaarheid van de verzorgingsstaat opnieuw onder druk door vergrijzing. De grote naoorlogse generatie (de geboortegolf) heeft de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Omdat mensen gemiddeld langer en gezonder leven dan in de jaren 50 én het aantal werkenden dat de premies moet opbrengen kleiner is geworden, is besloten om de AOW-leeftijd te verhogen van 65 naar 67 jaar of ouder.