Les over Hoofdstuk 3 | Sociale zekerheid en verzorgingsstaat in Nederland

Les over Hoofdstuk 3 | Sociale zekerheid en verzorgingsstaat in Nederland

Gemaakt door Ainstein
Hoofdstuk 3 | Sociale zekerheid en verzorgingsstaat in Nederland
Deze video bestaat uit
  • De industriële revolutieDe industriële revolutie
  • Een verzuild land in crisisEen verzuild land in crisis
  • De verzorgingsstaat en pluriforme samenleving in NederlandDe verzorgingsstaat en pluriforme samenleving in Nederland
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 07:53
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Sociale zekerheid en de verzorgingsstaat in Nederland

Leerdoelen

Je kunt de leefomstandigheden en de beperkte medische zorg in het begin van de 20e eeuw beschrijven.

Je kunt de rol van kerken en liefdadigheid bij de zorg voor zieken in de vroege 20e eeuw toelichten.

Je kunt de hoofdvraag over het ontstaan van de Nederlandse verzorgingsstaat benoemen.

Je kunt benoemen welke groepen mensen in de 19e eeuw in de problemen kwamen.

Je kunt uitleggen hoe de politiek reageerde op de toename van het aantal armen.

Je kunt beschrijven wat er in de armenzorg veranderde rond 1900.

Je kunt de slechte woon- en werkomstandigheden van arbeiders in de 19e-eeuwse steden beschrijven.

Je kunt de standpunten van liberalen, socialisten en confessionelen over sociale wetgeving in de 19e eeuw vergelijken.

Je kunt de inhoud en het belang van de eerste sociale wetten rond 1900 toelichten.

Je kunt de gevolgen van de economische crisis in Nederland benoemen.

Je kunt uitleggen hoe de regering reageerde op de economische crisis.

Je kunt beschrijven hoe de crisis leidde tot onrust in de samenleving.

Je kunt de kenmerken van de aanpassingspolitiek van de regering-Colijn toelichten.

Je kunt het Plan van de Arbeid van de socialisten als alternatief voor de aanpassingspolitiek beschrijven.

Je kunt de maatregelen benoemen die de overheid na de Tweede Wereldoorlog nam.

Je kunt beschrijven hoe de verzorgingsstaat eruitzag en eruitziet.

Je kunt de problemen benoemen die ontstonden in de verzorgingsstaat.

Je kunt het verschil tussen sociale verzekeringen en sociale voorzieningen uitleggen.

Je kunt de maatregelen van de regeringen-Lubbers om de verzorgingsstaat betaalbaar te houden beschrijven.

Je kunt de gevaren voor arbeiders in de 19e eeuw benoemen.

Je kunt de maatregelen beschrijven die de overheid nam om de volksgezondheid te verbeteren.

Je kunt de veranderingen in de gezondheidszorg tijdens de 20e eeuw toelichten.

Je kunt het belang van hygiëne en preventieve maatregelen voor de volksgezondheid uitleggen.

Je kunt de invloed van nieuwe medicijnen en technologieën op de moderne gezondheidszorg beschrijven.

Belangrijke jaartallen

1854: aanname van de Armenwet door het parlement.

1873: uitbreken van een wereldwijde economische crisis, waardoor het armoedeprobleem groeit.

1874: aanname van het Kinderwetje van Van Houten tegen fabrieksarbeid voor kinderen onder de 12 jaar.

1901: invoering van de Leerplichtwet, de Ongevallenwet en de Woningwet.

1929: uitbreken van de grote economische crisis in de Verenigde Staten.

1931: de overheid start met de landelijke steunverlening voor werklozen.

1934: uitbreken van het Jordaanoproer na bezuinigingen op de steunverlening.

1935: de socialisten presenteren het Plan van de Arbeid als alternatief voor de aanpassingspolitiek.

1940: invoering van het ziekenfonds als verplichte ziektekostenverzekering voor lage inkomens.

1948-1958: opbouw van de Nederlandse verzorgingsstaat onder leiding van minister-president Willem Drees.

1951: invoering van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

1952: invoering van de Werkloosheidswet (WW).

1957: invoering van de Algemene Ouderdomswet (AOW).

1959: invoering van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW).

1965: invoering van de Algemene Bijstandswet (ABW) onder minister Marga Klompé.

1967: invoering van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1982-1994: de regeringen-Lubbers voeren strenge bezuinigingen door om de verzorgingsstaat betaalbaar te houden.

1996: de AWW wordt vervangen door de Algemene Nabestaandenwet (ANW).

Armoede en de eerste sociale wetten in de 19e eeuw

Tot ongeveer 1870 woonde de meerderheid van de Nederlandse bevolking op het platteland. Veel mensen werkten als seizoensarbeider voor grote boeren of verdienden hun brood als ambachtslied (zoals kleermakers, klompenmakers en smeden). Door de opkomst van fabrieken op het platteland en in het buitenland konden ambachtslieden hun spullen steeds moeilijker verkopen. Goedkope machinale producten verdrongen het handwerk. Toen vanaf 1870 de industrialisatie in Nederland op gang kwam, trokken honderduizenden plattelanders naar de steden op zoek naar fabriekswerk.

Leef- en werkomstandigheden van de arbeiders

De omstandigheden in de snelgroeiende industriesteden waren uitermate slecht. Arbeiders verdienden heel weinig geld en moesten veertien uur per dag, zes dagen per week werken. Ook vrouwen en kinderen vanaf twaalf jaar werkten mee in de fabrieken om genoeg geld op te halen voor eten en de huur. Arbeidersgezinnen woonden in donkere, vochtige kelderwoningen of kleine krotwoningen zonder elektriciteit, kraan of wc. Grachten dienden tegelijkertijd als drinkwatervoorziening en als open riool. Door het eenzijdige voedsel (vooral aardappels en brood) en de slechte hygiëne braken er regelmatig dodelijke epidemieën uit. Mensen die niet konden werken — zoals zieken, gewonden, alleenstaanden, gehandicapten en ouderen — hadden helemaal geen inkomsten. Er bestond geen sociale uitkering of zorgverzekering. Wie niet kon werken, was afhankelijk van familie of van liefdadigheid: hulp van kerken en rijke burgers die geld, kleding of brood gaven aan mensen die niet voor zichzelf konden zorgen. Soms konden armen aankloppen bij het armenfonds van de gemeente, maar als de gemeentekas leeg was, kregen zij niets.

Politieke visies op de armenzorg

In de 19e eeuw beslisten uitsluitend rijke mannen over het bestuur van Nederland, omdat alleen zij kiesrecht hadden. De overheid bemoeide zich nauwelijks met het dagelijks leven. In 1854 nam het parlement wel de Armenwet aan. Deze wet werd niet aangenomen om armen te beschermen, maar uit angst voor diefstallen en rellen. In de Armenwet werd vastgelegd dat de overheid pas hielp als de familie of de kerk het echt niet meer kon betalen. Binnen het parlement dachten de politieke stromingen heel verschillend over de rol van de overheid:

Liberalen: zij vormden de grootste groep in het parlement. Liberalen vonden dat vrijheid het belangrijkste goed was en dat de overheid zo klein mogelijk moest blijven. Ieder mens moest voor zichzelf zorgen; armoedebestrijding was geen taak van de regering.

Socialisten: zij vonden dat alle mensen gelijkwaardig waren. Volgens hen werd de armoede veroorzaakt door fabriekseigenaren die arbeiders uitbuitten voor maximale winst. De overheid moest volgens de socialisten ingrijpen en arbeiders beschermen door middel van sociale wetgeving. Vanwege het beperkte kiesrecht zaten er echter nauwelijks socialisten in het parlement.

Confessionelen: dit waren gelovige katholieken en protestanten. Zij vonden dat armoede bij het leven hoorde en dat God de maatschappelijke verschillen zo gewild had. De zorg voor armen en zieken moest volgens hen bij de kerken liggen, niet bij de overheid.

De eerste sociale wetten rond 1900

In 1873 brak er een wereldwijde economische crisis uit, waardoor de werkloosheid en armoede enorm toenamen. Ook een deel van de liberalen begreep nu dat de overheid actie moest ondernemen. De eerste stap werd gezet met het Kinderwetje van Van Houten in 1874, dat fabrieksarbeid voor kinderen onder de twaalf jaar verbood. Na een groot parlementair onderzoek naar de werkomstandigheden in fabrieken werd duidelijk dat er op grote schaal misstanden plaatsvonden. Rond 1900 nam het parlement de eerste belangrijke sociale wetten aan. Dat zijn wetten die de gevolgen van armoede, ziekte, ouderdom en werkloosheid bestrijden:

Leerplichtwet (1901): kinderen van 6 tot 12 jaar werden verplicht om naar school te gaan. Hierdoor kwam er definitief een einde aan kinderarbeid.

Ongevallenwet (1901): arbeiders kregen een kleine uitkering als zij door een bedrijfsongeval invalide raakten en niet meer konden werken.

Woningwet (1901): stelde wettelijke voorschriften in voor nieuwe woningen. Huizen moesten voortaan aparte kook- en slaapruimtes hebben, een kraan en een wc. Krotwoningen werden op grote schaal gesloopt.

Daarnaast legden gemeenten rioleringen en waterleidingen aan. Om hun positie te versterken, richtten arbeiders vakbonden op. Hiermee konden ze gezamenlijk staken voor betere werkomstandigheden en hogere lonen. Ook kwamen er onderlinge verzekeringen, waarbij arbeiders gezamenlijk een premie betaalden om een uitkering te ontvangen bij ziekte of ongeval.

De crisisjaren in de jaren 30

In 1929 ontstond in de Verenigde Staten een zware economische crisis. Bedrijven en banken gingen failliet, en de internationale handel stortte in. Omdat Nederland voor zijn inkomsten erg afhankelijk was van de export van producten naar het buitenland, werd ons land hard getroffen. Bedrijven konden hun goederen niet meer verkopen, moesten de productie terugschroeven en ontsloegen op grote schaal personeel. De werkloosheid steeg explosief van 100.000 mensen in 1930 naar meer dan 500.000 in 1936. In dat jaar was één op de vier Nederlandse arbeiders werkloos; in steden als Amsterdam verloor zelfs de helft van de arbeiders zijn baan.

Steunverlening en werkverschaffing

Omdat werklozen zonder inkomsten snel verarmden, begon de overheid in 1931 met de steunverlening. Dit was een regeling waarbij werklozen tussen de 21 en 60 jaar die buiten hun schuld werkloos waren geworden, een kleine uitkering ('steun') kregen van de overheid. Deze uitkering bedroeg ongeveer de helft van het normale loon. Om misbruik te voorkomen, geldt een streng controlesysteem: werklozen moesten twee keer per dag op wisselende tijden stempelen op een stempelkantoor, zodat zij niet stiekem zwart konden bijverdienen. Werklozen die steun ontvingen, werden vaak verplicht ingezet in de werkverschaffing. In ruil voor hun uitkering moesten zij zwaar lichamelijk werk verrichten voor de overheid, zoals het ontginnen van heidegronden, het graven van kanalen en het aanleggen van parken (zoals in de Wieringermeerpolder). Werklozen die weigerden naar werkkampen te gaan of dit werk uit te voeren, raakten direct hun uitkering kwijt.

Aanpassingspolitiek van Colijn en het Plan van de Arbeid

Vanaf 1933 werd de Nederlandse regering geleid door minister-president Hendrik Colijn. Hij voerde de aanpassingspolitiek voeren: een beleid waarbij de overheid de eigen uitgaven aanpaste aan de dalende belastinginkomsten. Omdat de staat minder geld binnenkreeg, werd er streng bezuinigd. In 1934 verlaagde de regering Colijn de ambtenarensalarissen én de uitkeringen van werklozen. De aanpassingspolitiek bracht echter geen economisch herstel; de werkloosheid en overheidsstijgingen namen alleen maar verder toe. Als alternatief voor de bezuinigingen presenteerden de socialisten in 1935 het Plan van de Arbeid. Zij stelden voor dat de overheid juist extra geld moest lenen en investeren in grote openbare projecten. Hierdoor zouden werklozen een echt loon verdienen en weer geld uitgeven, wat de economie zou stimuleren. Omdat de socialisten geen meerderheid hadden in het parlement, werd het plan verworpen.

Sociale onrust en protesten

De streng gecontroleerde steunverlening, de verplichte werkkampen en de gemerkte kleding en schoenen die via de steun werden verstrekt, zorgden voor diepe schaamte en vernedering onder de bevolking. Dit leidde tot maatschappelijke onrust en protesten:

In 1931 staakten textielarbeiders in Twente tevergeefs tegen een loonsverlaging van 5 procent.

In 1932 en 1933 braken in Amsterdam huurstakingen uit nadat lonen werden verlaagd en huren verhoogd. Stakers werden massaal uit hun woning gezet.

In juli 1934 brak het Jordaanoproer uit: een heftige opstand van bewoners in de Amsterdamse wijk de Jordaan tegen een nieuwe verlaagde steunverlening. Boze werklozen vochten op straat tegen de politie en bekogelden hen met straatstenen. De overheid sloeg de opstand met behulp van de marechaussee en het leger hard neer. Er vielen meer dan vijftig gewonden en zes doden, maar de verlaagde steun bleef gehandhaafd.

Opbouw en ontwikkeling van de verzorgingsstaat

Na de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog moest Nederland weer helemaal worden opgebouwd. Om de wederopbouw te doen slagen, ontstond het harmoniemodel: een nauwe samenwerking tussen werknemers, werkgevers en de overheid. Arbeiders werkten hard voor lage lonen en staakten niet, waardoor de economie snel herstelde en de welvaart steeg. Tussen 1948 en 1958 speelde minister-president Willem Drees ('Vadertje Drees') een sleutelrol. Hij wilde voorkomen dat verarmde en ontevreden burgers opnieuw het vertrouwen in de democratie zouden verliezen. Drees legde het fundament voor de Nederlandse verzorgingsstaat: een samenleving waarin de overheid verantwoordelijk is voor het welzijn van haar burgers en garandeert dat niemand in echte armoede hoeft te leven.

Sociale wetten en sociale zekerheid

In de verzorgingsstaat heeft iedere burger recht op sociale zekerheid. Dit houdt in dat iedereen die door ziekte, werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of ouderdom niet voor zichzelf kan zorgen, recht heeft op financiële ondersteuning van de staat. Het stelsel van sociale zekerheid valt uiteen in twee categorieën:

Sociale verzekeringen: dit zijn verzekeringen waarvoor mensen die werken verplicht een premie betalen via het loon. Het stelsel kent volksverzekeringen (voor alle burgers) en werknemersverzekeringen. Voorbeelden zijn:

AKW (Algemene Kinderbijslagwet, 1951): een bijdrage van de overheid in de kosten voor het opvoeden van kinderen onder de 18 jaar.

WW (Werkloosheidswet, 1952): een tijdelijke uitkering voor werknemers die buiten hun schuld werkloos worden.

AOW (Algemene Ouderdomswet, 1957): een basisuitkering voor iedere Nederlander vanaf de pensioengerechtigde leeftijd.

AWW (Algemene Weduwen- en Wezenwet, 1959): een uitkering voor vrouwen die hun echtgenoot verloren. In 1996 werd dit de ANW (Algemene Nabestaandenwet), die ook geldt voor mannelijke nabestaanden.

WAO (Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, 1967): een uitkering voor werknemers die door een langdurige ziekte of handicap niet meer kunnen werken.

Sociale voorzieningen: uitkeringen die niet uit premies, maar volledig uit belastinggeld worden betaald. Ze dienen als uiterst vangnet voor mensen die geen recht hebben op een sociale verzekering. Het belangrijkste voorbeeld is de ABW (Algemene Bijstandswet, 1965), ingevoerd onder minister Marga Klompé. Daarmee werd financiële hulp een wettelijk recht in plaats van een gunst van de kerk of liefdadigheid.

Problemen en hervormingen van de verzorgingsstaat

In de jaren 70 kwam er een einde aan de economische groei. Door een nieuwe economische crisis steeg de werkloosheid van 150.000 in 1973 naar 800.000 in 1983. Omdat steeds meer mensen een een WW- of WAO-uitkering aanvroegen, stegen de overheidsuitgaven explosief, terwijl de belastinginkomsten daalden. De verzorgingsstaat dreigde onbetaalbaar te worden. Daarnaast zorgde het recht op de bijstand voor maatschappelijke veranderingen: vrouwen in slechte huwelijken konden sneller scheiden omdat ze financieel niet meer afhankelijk waren van hun man, en bij sommige mensen verdween de prikkel om werk te zoeken. Tussen 1982 en 1994 voerden de regeringen onder leiding van premier Ruud Lubbers grote hervormingen door om het stelsel gezond te maken:

De regels om een uitkering te krijgen werden aanmerkelijk strenger gemaakt.

De hoogte van de uitkeringen werd verlaagd.

De maximale duur van uitkeringen werd verkort.

Er kwam een strengere overheidscontrole om fraude op te sporen en te bestrijden.

Door deze maatregelen en het herstel van de economie in de jaren 90 nam het aantal uitkeringsgerechtigden af. Toch blijft de betaalbaarheid van de AOW een punt van zorg door vergrijzing: de grote groep mensen die na 1945 is geboren gaat met pensioen, terwijl er naar verhouding minder werkenden zijn die de premies opbrengen. Om die reden is de wettelijke AOW-leeftijd verhoogd van 65 naar 67 jaar.

Ontwikkeling van de gezondheidszorg en volksgezondheid

In de 19e eeuw was het risico op ziekte en overlijden erg hoog. Door het gebrek aan hygiëne, vervuild drinkwater en slechte voeding braken er tussen 1830 en 1860 vier grote cholera-epidemieën uit. Een epidemie is een besmettelijke ziekte die zich in korte tijd heel snel verspreidt onder een grote groep mensen. Rond 1850 ontdekten wetenschappers dat cholera werd veroorzaakt door het drinken van door ontlasting vervuild water.

Overheidsingrijpen en preventieve maatregelen

Om de volksgezondheid te beschermen, nam de overheid vanaf 1880 diverse preventieve maatregelen. Dit zijn maatregelen die bedoeld zijn om te voorkomen dat mensen ziek worden:

Aanleg van ondergrondse rioleringen en waterleidingen met schoon drinkwater (duinwater).

Voorlichting over hygiëne in de arbeidersbuurten door wijkverpleegkundigen.

Invoering van de Woningwet (1901) om vochtige krotwoningen te slopen en te vervangen door hygiënische woningen.

Professionalisering van de zorg: in 1921 stelde de overheid een officieel wettelijk erkend diploma in voor verpleegkundigen, in 1926 gevolgd door een opleiding voor kraamverzorgsters.

Om te zorgen dat ook mensen met lage inkomsten een dokter konden raadplegen, werd in 1940 het ziekenfonds ingevoerd: een verplichte zorgverzekering voor mensen met een laag inkomen.

Moderne gezondheidszorg na de Tweede Wereldoorlog

Na 1945 maakte de medische wetenschap grote vorderingen. Tijdens de oorlog werd het geneesmiddel penicilline ontdekt, een antibioticum waarmee gevaarlijke bacteriële infecties en longontstekingen succesvol konden worden genezen. Door de ontwikkeling van nieuwe technologieën en apparatuur richtten ziekenhuizen gespecialiseerde afdelingen in met goed opgeleid personeel, zoals de Intensive Care voor levensbedreigende situaties, de afdeling Cardiologie voor hartpatiënten en couveuseafdelingen voor te vroeg geboren baby's. In de jaren 50 ontstond de gezinszorg en in de jaren 60 kwamen er speciale verzorgingstehuizen voor ouderen. Door al deze vernieuwingen steeg de levensverwachting van de Nederlandse bevolking aanzienlijk. Om de sterk gestegen kosten van de gezondheidszorg te beheersen, zijn tegenwoordig alle inwoners van Nederland verplicht om een zorgverzekering af te sluiten, waarbij patiënten voor sommige behandelingen een eigen bijdrage of eigen risico betalen.