Les over §1 De late industrialisatie van Nederland

Les over §1 De late industrialisatie van Nederland

Gemaakt door Ainstein
§1 De late industrialisatie van Nederland
Deze video bestaat uit
  • Nederland IndustrialiseertNederland Industrialiseert
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 06:24
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Hoe kwam de late industrialisatie van Nederland op gang?

Leerdoelen

Je kunt waarom Nederland later industrialiseerde dan België uitleggen.

Je kunt het belang van infrastructuur en techniek bij de industrialisatie beschrijven.

Je kunt de veranderingen in arbeidsomstandigheden door de industrialisatie benoemen.

Je kunt de rol van koning Willem I bij de bevordering van de Nederlandse industrie toelichten.

Je kunt de begrippen industriële revolutie, infrastructuur, arbeidsomstandigheden, arbeidsdeling en verstedelijking definiëren.

Belangrijke jaartallen

1815: oprichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden onder koning Willem I.

1830: de Belgische Opstand leidt tot het ontstaan van een onafhankelijk België.

1839: de eerste Nederlandse stoomtrein rijdt tussen Amsterdam en Haarlem.

1870: het eerste initiatief ontstaat voor een paardentram in Amsterdam.

1875: de aanleg van rails maakt een comfortabele paardentram in Amsterdam mogelijk.

1894: de eerste elektrische tram gaat rijden in Brussel.

1900: de eerste elektrische tram rijdt in Amsterdam en de eerste auto's verschijnen in Nederland.

1904: bijna alle trams in Amsterdam zijn elektrisch geworden.

De start van de industrialisatie en de rol van koning Willem I

Nederland, België en Luxemburg werden in 1815 onder koning Willem I samengevoegd tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. In België was op dat moment de industriële revolutie al begonnen: de grote verandering in de 18e en 19e eeuw in West-Europa door de komst van fabrieken en nieuwe vervoermiddelen. In steden zoals Gent draaiden fabrieken op stoommachines en was er ruim voldoende steenkool in de bodem aanwezig. Koning Willem I wilde dat de industrie in het zuiden (België) en de handel in het noorden (Nederland) elkaar zouden aanvullen. Dit plan veranderde toen de Belgen in 1830 in opstand kwamen en een eigen land stichtten. Willem I bleef koning van Nederland, een land waar veel boeren en handelaren woonden, maar nauwelijks industrie aanwezig was. Om het land te moderniseren, wees de koning Twente aan voor de ontwikkeling van de textielindustrie. Deze streek moest gaan concurreren met fabrieken in Engeland en België. Twente bood twee belangrijke voordelen:

Er was al veel traditionele huisnijverheid, waarbij boeren en boerinnen thuis garen sponnen en stoffen weefden om extra geld te verdienen.

Er waren veel arbeiders aanwezig die bereid waren om tegen lage lonen te werken.

Pogingen van de koning om ook in het westen van Nederland textielfabrieken op te zetten mislukten door de hogere lonen in die regio. Enschede groeide in de 19e eeuw uit tot de belangrijkste industriestad van Twente.

Infrastructuur en technische vernieuwingen

Voor de ontwikkeling van de industrie is een goede infrastructuur onmisbaar: het geheel van wegen, spoorlijnen, waterwegen en andere verbindingen in een gebied. Een sterk vervoersnetwerk zorgt ervoor dat grondstoffen en eindproducten snel en goedkoop vervoerd kunnen worden. Steenkool was noodzakelijk als brandstof voor stoommachines, maar werd in Nederland nog niet gewonnen en moest dus goedkoop worden ingevoerd. Koning Willem I investeerde stevig in vervoersverbindingen. Hij liet kanalen graven, zoals het Noord-Hollands Kanaal en de Zuid-Willemsvaart. In 1839 liet hij de eerste Nederlandse spoorweg aanleggen, waarover een stoomtrein reed tussen Amsterdam en Haarlem.

Spoorweg en fabrieken tijdens de industriële revolutie
Spoorweg en fabrieken tijdens de industriële revolutie

In de eerste helft van de 19e eeuw twijfelden veel Nederlandse investeerders nog om geld uit te trekken voor dure, onbekende buitenlandse machines of stoomschepen; zij investeerden liever in vertrouwde handel en landbouw. Vanaf 1860 kwamen er echter steeds meer fabrieken in Nederland. Aan het einde van de 19e eeuw werd de stoommachine geleidelijk vervangen door modernere verbrandings- en elektromotoren.

Technische tekening van een vroege verbrandingsmotor met zuigers en tandwielen
Technische tekening van een vroege verbrandingsmotor met zuigers en tandwielen

Veranderende arbeidsomstandigheden en verstedelijking

Vóór de industrialisatie maakten ambachtslieden (zoals schoenmakers of kleermakers) in kleine werkplaatsen een compleet product. De komst van fabrieken bracht ingrijpende veranderingen in de arbeidsomstandigheden: de omstandigheden waaronder mensen moeten werken, zoals de lengte van een werkdag en de veiligheid op de werkvloer. De werkomstandigheden in de eerste fabrieken kenmerkten zich door:

Slechte gezondheidsomstandigheden: fabriekshallen waren stoffig, vochtig, slecht verlicht, erg lawaaierig en matig verwarmd of geventileerd.

Onveilige situaties: doordat veiligheidsvoorschriften ontbraken en bewegende onderdelen van machines niet waren afgeschermd, gebeurden er regelmatig ernstige ongelukken.

Fabrieksarbeiders hadden geen rechten of wettelijke bescherming. Bij ziekte ontvangt een arbeider geen loon en was hij afhankelijk van familie of armenzorg. Protesteren tegen lage lonen of lange werkdagen leidde direct tot ontslag. Om de productiekosten zo laag mogelijk te houden en de winst te vergroten, voerden fabrikanten arbeidsdeling in. Dit is een productieproces waarbij een arbeider niet meer een heel product maakt, maar steeds een klein onderdeel daarvan (zoals een fietswiel in plaats van een hele fiets). Hierdoor werd het werk simpel en eentonig, terwijl machines het werktempo dicteerden. Vanwege de zeer lage lonen moesten ook vrouwen en kinderen in de fabrieken werken om het gezin te onderhouden. Tegelijkertijd veranderde het platteland. Door technische verbeteringen aan landbouwwerktuigen en het gebruik van kunstmest steeg de voedselproductie, waardoor er in de tweede helft van de 19e eeuw minder landarbeiders nodig waren. Door deze ontwikkeling en de bevolkingsgroei trokken veel mensen naar de steden om werk te zoeken in fabrieken. Dit proces van verstedelijking (waarbij steeds meer mensen in steden gaan wonen en werken) leidde tot overbevolking. Gezinnen woonden vaak samen in kleine woningen met gebrekkige hygiëne, wat regelmatig uitbraken van besmettelijke ziektes veroorzaakte.