Les over Hoofdstuk 1 | Nederland en Indonesië

Les over Hoofdstuk 1 | Nederland en Indonesië

Gemaakt door Ainstein
Hoofdstuk 1 | Nederland en Indonesië
Deze video bestaat uit
  • Overzeese expansie, ontstaan handelskapitalisme en begin wereldeconomieOverzeese expansie, ontstaan handelskapitalisme en begin wereldeconomie
  • Modern ImperialismeModern Imperialisme
  • Indonesië vecht zich vrijIndonesië vecht zich vrij
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 08:58
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Nederland en Indonesië: geschiedenis van 1600 tot 1950

Leerdoelen

Je kunt de vroege Nederlandse ontdekkingsreizen naar Indonesië aan het eind van de 16e eeuw beschrijven.

Je kunt de verschillende namen van het gebied Indonesië door de tijd heen benoemen.

Je kunt uitleggen wat de VOC deed in Oost-Indië.

Je kunt beschrijven op welke manier het bestuur georganiseerd was in Nederlands-Indië.

Je kunt verklaren hoe het kwam dat Indonesiërs hongerleden door het cultuurstelsel.

Je kunt het begrip handelsmonopolie in de context van de VOC definiëren.

Je kunt historische gebeurtenissen met betrekking tot de Nederlandse aanwezigheid in Indonesië in de juiste chronologische volgorde plaatsen.

Je kunt de redenen noemen waarom het cultuurstelsel werd vervangen door een vrije economie.

Je kunt beoordelen of de vrije economie een verbetering was voor de bevolking van Nederlands-Indië.

Je kunt uitleggen hoe Nederland zijn macht in de archipel uitbreidde.

Je kunt de kritiek van Multatuli en de liberalen op het cultuurstelsel beschrijven.

Je kunt de begrippen modern imperialisme en pacificatie in de context van Nederlands-Indië verklaren.

Je kunt beschrijven hoe Nederland het leven van de bevolking probeerde te verbeteren via de ethische politiek.

Je kunt verklaren hoe het nationalisme bij de Indonesiërs ontstond.

Je kunt het doel van de samenwerking tussen Soekarno en de Japanners toelichten.

Je kunt de impact van de Japanse bezetting op de onafhankelijkheidsstrijd analyseren.

Je kunt historische veranderingen voor de Indonesische bevolking door de komst van de Nederlanders herkennen.

Je kunt benoemen wat de Indonesiërs wilden na de bevrijding van de Japanners.

Je kunt uitleggen hoe de Nederlanders het conflict met Indonesië probeerden op te lossen.

Je kunt beschrijven hoe het conflict tussen Nederland en Indonesië uiteindelijk werd beëindigd.

Je kunt de rol van de politionele acties en de internationale druk in het onafhankelijkheidsproces verklaren.

Je kunt verworven kennis over de koloniale geschiedenis van Indonesië toepassen op examenopdrachten.

Je kunt de rol en activiteiten van de VOC in Oost-Indië beschrijven.

Je kunt de oorzaken en gevolgen van het cultuurstelsel voor Nederland en de Indonesische bevolking uitleggen.

Je kunt de overgang van het cultuurstelsel naar een liberale economie en de gevolgen daarvan toelichten.

Je kunt het proces van modern imperialisme en pacificatie in Nederlands-Indië verklaren.

Je kunt de doelen en gevolgen van de ethische politiek benoemen.

Je kunt de opkomst van het Indonesisch nationalisme en de rol van leiders als Soekarno beschrijven.

Je kunt het verloop van het conflict tussen Nederland en de Republiek Indonesië tussen 1945 en 1949 samenvatten.

Je kunt de redenen voor de komst van Molukkers naar Nederland in 1951 verklaren.

Belangrijke jaartallen

1595-1596: de eerste Nederlandse schepen varen onder leiding van onder anderen Cornelis de Houtman naar Oost-Indië.

1602: oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) met een handelsmonopolie op de Aziatische handel.

1619: stichting van Batavia op het eiland Java door Jan Pieterszoon Coen als hoofdkwartier van de VOC.

1622: hard ingrijpen van de VOC op de Molukken om het alleenrecht op specerijen af te dwingen.

1798: faillissement van de VOC, waarna de Nederlandse staat alle bezittingen overneemt en de kolonie Nederlands-Indië gaat heten.

1830: invoering van het cultuurstelsel op Java door gouverneur-generaal Johannes van den Bosch.

1856: opening van het Suezkanaal, waardoor de vaarroute tussen Europa en Azië aanzienlijk korter wordt.

1860: publicatie van de roman Max Havelaar door Multatuli als kritiek op de uitbuiting onder het cultuurstelsel.

1870: afschaffing van het cultuurstelsel, overgang naar een vrije economie en het begin van het modern imperialisme.

1873-1903: de Atjeh-oorlog waarin het KNIL het sultanaat Atjeh op Noord-Sumatra onderwerpt.

1880: invoering van een streng koeliecontract waarin werkweigering door contractarbeiders strafbaar wordt gesteld.

1901: start van de ethische politiek gericht op bevordering van onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur.

1905: Japan verslaat de Russische vloot, wat het zelfvertrouwen van Aziatische nationalisten vergroot.

1918: oprichting van de Volksraad om de bevolking van Nederlands-Indië een raadgevende stem te geven.

1927: oprichting van de Partai Nasional Indonesia (PNI) door Soekarno en Hatta ter streven naar onafhankelijkheid.

1942-1945: Japanse bezetting van Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog.

15 augustus 1945: overgave van Japan aan het einde van de Tweede Wereldoorlog.

17 augustus 1945: Soekarno en Hatta roepen de onafhankelijke Republiek Indonesië uit.

juli 1947: eerste politionele actie van het Nederlandse leger om economisch belangrijke gebieden te heroveren.

december 1948: tweede politionele actie waarbij Nederlandse troepen Soekarno gevangennemen.

27 december 1949: officiële soevereiniteitsoverdracht, waarmee Indonesië onafhankelijk wordt van Nederland.

1951: komst van ongeveer 12.500 Molukse militairen en hun gezinnen naar Nederland.

De opkomst van de VOC in Oost-Indië

Aan het einde van de 16e eeuw wilden Nederlandse kooplieden graag meedelen in de winstgevende handel in Aziatische specerijen, zoals peper, nootmuskaat, kruidnagel en foelie. Tot die tijd hielden de Portugezen de zeereizen geheim. Dankzij Jan Huygen van Linschoten, die met de Portugezen was meegevaren en stiekem zeekaarten had overgetekend, wisten de Nederlanders de route naar Azië te vinden. In 1595 vertrokken de eerste Nederlandse schepen en in 1596 kwamen zij aan te Bantam op het eiland Java onder leiding van Cornelis de Houtman. Ondanks ziekten zoals scheurbuik en conflicten onderweg bewees deze reis dat de zeeweg openlag. Het gebied dat we tegenwoordig Indonesië noemen, heeft door de tijd heen verschillende namen gekend. In de 17e eeuw noemden de Europeanen het gebied Oost-Indië. Nadat de Nederlandse staat het bestuur overnam in de 19e eeuw, werd de naam veranderd in Nederlands-Indië. Pas na de dekolonisatie werd de naam Indonesië officieel.

Schepen van de VOC voor de kust van een handelspost in Azië
Schepen van de VOC voor de kust van een handelspost in Azië

Om onderlinge concurrentie tussen Nederlandse steden en kooplieden te voorkomen, werd in 1602 de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) opgericht. De Staten-Generaal verleenden de VOC het handelsmonopolie: het alleenrecht om als Nederlandse onderneming in Azië handel te drijven. De VOC kreeg daarnaast bijzondere bevoegdheden die normaal voorbehouden zijn aan een staat:

Oorlogvoering en defensie: het recht om soldaten in dienst te nemen, oorlog te voeren en versterkte forten te bouwen.

Bestuur en diplomatie: het recht om verdragen te sluiten met Aziatische vorsten, ambtenaren te benoemen en een eigen gouverneur-generaal aan te stellen.

Het bestuurlijke en logistieke centrum van de VOC in Azië werd gesticht in 1619 door Jan Pieterszoon Coen op het eiland Java onder de naam Batavia (het huidige Jakarta). Voor de winning van kostbare specerijen richtte de VOC zich met name op de Molukken. Toen de vorsten op de Molukken, ondanks afspraken met de VOC, stiekem bleven handelen met concurrenten vanwege de zeer lage Nederlandse inkoopprijzen, greep de VOC in 1622 met hard geweld in. De lokale leiders werden gedood en de bevolking werd weggevoerd, waarna de VOC een strikt alleenrecht op de specerijenteelt afdwong.

Het bestuur van Nederlands-Indië en het cultuurstelsel

In de loop van de 18e eeuw liepen de winsten van de VOC terug door toenemende concurrentie van andere Europese landen, met name Engeland. De compagnie bouwde grote schulden op en ging in 1798 failliet. De Nederlandse staat nam alle bezittingen en schulden over. Vanaf dat moment werd het gebied aangeduid als Nederlands-Indië. Om de kolonie zo goedkoop mogelijk te besturen, maakten de Nederlanders gebruik van een indirect bestuur. Aan het hoofd stond de Nederlandse gouverneur-generaal, die werd bijgestaan door Nederlandse residenten in de provincies. Het dagelijkse bestuur over de lokale bevolking werd echter overgelaten al de regenten: traditionele Indonesische adellijke bestuurders en dorpshoofden. Omdat de bevolking gewend was te gehoorzamen aan de eigen adel, waren er rond 1850 slechts 175 Europese ambtenaren nodig om te regeren over ruim 13 miljoen inwoners op Java. Ondanks deze goedkope bestuursvorm kostte de kolonie in de eerste decennia van de 19e eeuw geld. Om de kolonie weer winstgevend te maken, voerde gouverneur-generaal Johannes van den Bosch in 1830 het cultuurstelsel in op Java.

Werking van het cultuurstelsel

Volgens de regels van het cultuurstelsel moesten Javaanse boeren verplicht op een vijfde deel van hun grond cultuurproducten verbouwen voor de Nederlandse staat. Dit waren gewassen die op de Europese markt veel geld opleverden, zoals koffie, suiker, tabak en indigo. Deze producten moesten als een vorm van pacht aan het Nederlandse bestuur worden afgestaan. Boeren die geen geschikte grond bezaten, werden verplicht om herendiensten te verrichten: zij moesten 66 dagen per jaar werken aan Nederlandse overheidsprojecten, zoals de aanleg van wegen, bruggen en bestuursgebouwen.

Gevolgen voor Nederland en Java

Het cultuurstelsel was financieel een enorm succes voor Nederland. Tussen 1850 en 1860 kwam circa 32% van alle Nederlandse staatsinkomsten uit de kolonie. Met de winsten werd de Nederlandse infrastructuur gemoderniseerd: er werden spoorwegen aangelegd, kanalen gegraven en bruggen gebouwd. Voor de Javaanse bevolking had het cultuurstelsel echter dramatische gevolgen:

Grondgebrek voor voedsel: boeren moesten vaak hun beste landbouwgrond afstaan voor verplichte exportgewassen, waardoor er te weinig grond overbleef voor de teelt van rijst.

Misbruik en bonussen: regenten kregen een financiële bonus bij een hoge opbrengst. Hierdoor dwongen zij boeren vaak om meer dan een vijfde van hun grond te beplanten met cultuurproducten en eisten zij extra belastingen voor hun eigen luxeleven.

Extreme werkdruk: het verplichte werk voor het Nederlandse bestuur liep in de praktijk vaak op tot 100 tot 200 dagen per jaar.

Hongersnoden: doordat er onvoldoende tijd en grond overbleef voor de voedselvoorziening, ontstonden er op Java zware hongersnoden waarbij duizenden mensen omkwamen.

Van cultuurstelsel naar vrije economie

Vanaf het midden van de 19e eeuw kwam er vanuit Nederland steeds meer kritiek op de misstanden van het cultuurstelsel. De kritiek richtte zich op twee hoofdpunten:

De uitbuiting van de boeren: de mensonwaardige omstandigheden waarin de Javaanse bevolking terecht was gekomen. Het liberale Kamerlid dominee Van Hoëvell kwam op tegen deze misstanden. In 1860 publiceerde Multatuli (pseudoniem van Eduard Douwes Dekker) zijn beroemde roman Max Havelaar, waarin hij scherp uithaalde naar de Nederlandse staat die hij omschreef als een roofstaat die dertig miljoen onderdanen uitbuitte.

Overheidsbemoeienis met de economie: de opkomende politieke stroming van het liberalisme streefde naar zoveel mogelijk vrijheid voor de burgers en een minimale rol voor de overheid in de economie. Liberalen vonden dat de staat zich niet moest bezighouden met de productie van landbouwgoederen en dat particuliere ondernemers meer winst zouden behalen.

In 1870 werd het cultuurstelsel afgeschaft en deed de vrije economie haar intrede in Nederlands-Indië. Particuliere Nederlandse ondernemers kregen de mogelijkheid om grote terreinen te huren van de overheid. Op Java ontstonden honderden particuliere plantages voor suiker, koffie en thee. Op Sumatra, met name in de regio Deli, kwamen grote tabaksplantages tot ontwikkeling. Daarnaast investeerden ondernemers in de mijnbouw (winning van aardolie, steenkool en tin) en de teelt van rubber en palmolie.

De positie van de koelies

Voor de lokale bevolking betekende de overgang naar de vrije economie geen wezenlijke verbetering. Op de plantages op Sumatra was een groot tekort aan werkkrachten. Ondernemers haalden daarom contractarbeiders uit China en Java naar de plantages: de koelie. Een koelie tekende een contract in ruil voor een voorschot op het loon. Omdat de lonen extreem laag waren, konden de arbeiders het voorschot bijna nooit terugbetalen, waardoor zij vastkwamen te zitten op de plantage. De werkomstandigheden waren zwaar: werkdagen van twaalf uur in de brandende zon, slechte huisvesting zonder sanitaire voorzieningen en het ontbreken van medische zorg. In 1880 werd een wet aangenomen die streng toezag op de naleving van het contract: wie het werk weigerde of wegliep, werd zwaar gestraft met lijfstraffen of gevangenisstraf. Pas na 1907 kwamen er wetten die de leefomstandigheden en betaling van koelies enigszins verbeterden.

Modern imperialisme en de uitbreiding van het gezag

In de periode van 1870 tot 1900 deden de Europese geïndustrialiseerde landen mee aan het modern imperialisme: een snelle expansie waarbij zoveel mogelijk grondgebied in Afrika en Azië werd veroverd ter vergroting van de macht, het verkrijgen van grondstoffen en het creëren van afzetmarkten. Tot de tweede helft van de 19e eeuw oefende Nederland alleen op Java daadwerkelijk bestuur uit. Om alle buiteneilanden binnen de archipel definitief onder controle te krijgen, werd het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) ingezet. De soldaten in dit leger waren grotendeels afkomstig uit de kolonie zelf, terwijl de officieren Nederlands waren. Het proces waarbij de gehele Indische archipel met militair geweld onder Nederlands bestuur werd gebracht, wordt pacificatie genoemd. Particuliere ondernemers steunden deze uitbreiding, omdat zij rust en bescherming wilden voor hun plantages en mijnen op de buiteneilanden. Een van de heftigste conflicten tijdens deze expansie was de Atjeh-oorlog (1873-1903). Na de opening van het Suezkanaal in 1856 voeren Europese schepen via een verkorte route langs het noorden van Sumatra. Het onafhankelijke sultanaat Atjeh controleerde deze zeestraat en schepen werden er regelmatig aangevallen door piraten. In 1873 viel het KNIL met 13.000 soldaten Atjeh binnen. Er ontstond een bloederige guerrillaoorlog die dertig jaar duurde, duizenden levens kostte aan de lokale bevolking en waarbij honderden dorpen werden platgebrand, totdat de Atjehse leiders zich in 1903 overgaven.

Ethische politiek en het opkomende nationalisme

Rond de eeuwwisseling groeide in Nederland de overtuiging dat Nederland een ereschuld had aan de Indische bevolking vanwege de honderden miljoenen guldens die aan de kolonie waren onttrokken. In 1901 kondigde de Nederlandse regering de ethische politiek aan. Het doel hiervan was om het welzijn van de lokale bevolking te verbeteren. De ethische politiek richtte zich op vier terreinen:

Gezondheidszorg: grootschalige inentingsprogramma's tegen dodelijke infectieziekten.

Landbouw: verbetering van de voedselproductie door de introductie van gewassen zoals maïs en bonen naast de traditionele rijstbouw.

Infrastructuur: aanleg van irrigatiekanalen, dammen, wegen en spoorlijnen.

Onderwijs: oprichting van lokale desascholen (dorpsscholen) waar kinderen in de eigen taal leerden lezen en schrijven. Een kleine elite van de Indonesische adel kreeg toegang tot westers onderwijs.

Portret van de Indonesische nationalistische leider Soekarno
Portret van de Indonesische nationalistische leider Soekarno

Het onderwijs aan de Indische elite had een onbedoeld gevolg. Op de westerse scholen maakten Indonesische jongeren kennis met Europese ideeën over vrijheid, gelijkheid en democratie. Dit leidde tot het ontstaan van het nationalisme: het gevoel van trots op het eigen volk en land, gecombineerd met de wens om het land zelf te besturen. Hoogopgeleide Indonesiërs, onder wie Achmed Soekarno, merkten bovendien dat hoge bestuursfuncties binnen de koloniale overheid uitsluitend aan Nederlanders voorbehouden bleven. In 1918 richtte de Nederlandse regering de Volksraad op om de bevolking meer inspraak te geven. Deze raad had echter uitsluitend een raadgevende stem en bezat geen echte macht. Teleurgesteld door het gebrek aan echte democratie, richtten Soekarno en Mohammed Hatta in 1927 de Partai Nasional Indonesia (PNI) op. De PNI eiste volledige onafhankelijkheid en weigerde elke samenwerking met het Nederlandse bestuur. De Nederlandse overheid zag Soekarno als een bedreiging en zette hem gevangen. Het zelfvertrouwen van de Indische nationalisten werd verder versterkt door de overwinning van Japan op Rusland in 1905, wat bewees dat een Aziatisch land een Europese grootmacht kon verslaan.

De Japanse bezetting en de Republiek Indonesië

Tijdens de Tweede Wereldoorlog viel het Japanse leger in januari 1942 Nederlands-Indië binnen. Op 8 maart 1942 gaf het KNIL zich over en begon de Japanse bezetting. De Japanners voerden hun beleid onder het motto 'Azië voor de Aziaten':

Internering van Nederlanders: de gehele Nederlandse burgerbevolking werd opgesloten in kampen (geïnterneerd). De omstandigheden waren slecht en velen leden aan honger en ziekte.

Krijgsgevangenen en dwangarbeid: Nederlandse militairen werden ingezet als dwangarbeider, onder meer bij de aanleg van de Birma-spoorweg, waarbij ruim 3.200 Nederlanders omkwamen. Nederlandse vrouwen werden gedwongen tot prostitutie als troostmeisjes.

Verwijdering van Nederlandse invloeden: de Nederlandse taal werd verboden en plaatsnamen werden veranderd; zo werd Batavia omgedoopt tot Jakarta.

Soekarno werd door de Japanners vrijgelaten uit de gevangenis. Hij besloot met de Japanse bezetter samen te werken, in de hoop zo sneller onafhankelijkheid voor zijn land te bereiken. Hoewel de bevolking de Japanners aanvankelijk als bevrijders ontving, bleken de bezetters wreed en roofden zij het land leeg, wat leidde tot hongersnood onder de Indonesiërs. Toen duidelijk werd dat Japan de oorlog zou verliezen, beloofde de Japanse leiding onafhankelijkheid aan Indonesië. Op 15 augustus 1945 capituleerde Japan. Onder grote druk van de pemoeda's (gewapende, door Japan getrainde nationalistische jongeren) riepen Soekarno en Hatta op 17 augustus 1945 de onafhankelijke Republiek Indonesië uit.

De Indonesische onafhankelijkheidsstrijd (1945-1949)

Nederland erkende de proklamatie van de Republiek Indonesië niet. In de ogen van de Nederlandse regering was Soekarno een landverrader vanwege zijn samenwerking met de Japanse vijand. Nederland wou de koloniale macht herstellen, mede omdat de inkomsten uit Indië nodig werden geacht voor de wederopbouw van Nederland na de Tweede Wereldoorlog. Vlak na het uitroepen van de onafhankelijkheid brak een chaotische periode aan waarin gewapende pemoeda's met de strijdkreet 'Merdeka!' (vrijheid) jacht maakten op Nederlanders en gezagdragers. Nederland stuurde opnieuw troepen naar de archipel. Onderhandelingen tussen Nederland en de Republiek in 1946 over een geleidelijke overgang liepen vast.

Nederlandse militairen en gevangengenomen Indonesische strijders tijdens een politionele actie
Nederlandse militairen en gevangengenomen Indonesische strijders tijdens een politionele actie

### De politionele acties Om het gezag te herstellen en de economisch cruciale plantages en mijnen op Java en Sumatra weer in bezit te krijgen, voerde Nederland grootschalige militaire offensieven uit. Deze werden door de Nederlandse regering eufemistisch politionele acties genoemd, alsof het slechts ging om het herstellen van de binnenlandse rechtsorde:

Eerste politionele actie (juli 1947): het Nederlandse leger veroverde grote delen van Java en de olievelden op Sumatra. De VN-Veiligheidsraad dwong Nederland het geweld te stoppen.

Tweede politionele actie (december 1948): het KNIL bezette de republikeinse hoofdstad Yogyakarta en nam Soekarno en Hatta gevangen.

### Internationale druk en de soevereiniteitsoverdracht Hoewel de politionele acties militair succesvol waren, leidde het geweld tot grote internationale verontwaardiging. De Verenigde Naties eisten de onmiddellijke vrijlating van de nationalistische leiders. De Verenigde Staten dreigden de financiële steun voor de Nederlandse wederopbouw (de Marshallhulp) stop te zetten. De VS steunden de Republiek bovendien omdat Soekarno eerder een communistische opstand in eigen land had neergeslagen.

Koningin Juliana ondertekent de akte van soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949
Koningin Juliana ondertekent de akte van soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949

Onder zware internationale druk gaf Nederland toe. Tijdens een conferentie in Den Haag werd de officiële overdracht van de soevereiniteit overeengekomen. Op 27 december 1949 ondertekende koningin Juliana de akte waarmee Indonesië officieel een onafhankelijke staat werd. ### Het conflict rond de Molukken Een deel van de bevolking van de Molukken, van wie velen als soldaat in het KNIL hadden gediend, wilde niet behoren tot de door Soekarno geleide Republiek. Zij vreesden overheersing door de Javaanse meerderheid en riepen in 1950 de Republiek der Zuid-Molukken (RMS) uit. Het Indonesische leger bezette daarop de Molukse eilanden. Uit angst voor wraakacties van de Indonesische autoriteiten besloot de Nederlandse regering in 1951 om circa 12.500 Molukse militairen met hun gezinnen naar Nederland te halen. Dit verblijf was oorspronkelijk als tijdelijk bedoeld, maar werd uiteindelijk definitief.