Les over 4.3 De hereniging van Duitsland (1961-1991)
Van verdeeld naar herenigd Duitsland (1961 - 1991)

Hoe verloopt de hereniging van Duitsland (1961-1991)?
Leerdoelen
•Je kunt beschrijven hoe de relatie tussen de BRD en de DDR zich tijdens de detente ontwikkelde.
•Je kunt uitleggen uit welke ideeën het linkse terrorisme in de BRD voortkwam en beschrijven welk effect dat terrorisme op de BRD had.
•Je kunt beschrijven hoe de hervormingen van Gorbatsjov leidden tot het ineenstorten van het Oostblok.
•Je kunt beschrijven welke gebeurtenissen de hereniging van de twee Duitslanden mogelijk maakten, en wat hindernissen waren bij de hereniging.
•Je kunt uitleggen met welke binnenlandse problemen het herenigde Duitsland te maken kreeg.
•Je kunt de invloed van de Ostpolitik van Willy Brandt op de internationale erkenning van de DDR evalueren.
•Je kunt de begrippen glasnost en perestrojka in de context van de hervormingen in de Sovjet-Unie definiëren.
Belangrijke jaartallen
•1963-1979: de periode van detente zorgt voor een vermindering van de spanningen tussen de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten.
•1968: de Sovjet-Unie voert de Brezjnevdoctrine in om militair in te grijpen in communistische landen die dreigen te hervormen.
•1969: Willy Brandt wordt bondskanselier van de BRD en lanceert de Ostpolitik.
•1972: de BRD en de DDR erkennen elkaar officieel als gelijkwaardige staten.
•1985: Michail Gorbatsjov krijgt de leiding over de Sovjet-Unie en start ingrijpende hervormingen.
•9 november 1989: de DDR-regering staat vrij grensverkeer toe, wat leidt tot de val van de Berlijnse Muur.
•oktober 1990: de DDR heft zichzelf op en sluit zich aan bij de BRD, waarmee de Duitse hereniging een feit is.
•1991: Gorbatsjov treedt af, wat het definitieve einde markeert van het communistische bewind in de Sovjet-Unie.
Gedeeltelijke ontspanning en de Ostpolitik
In het begin van de jaren 1960 liepen de spanningen tussen de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten hoog op, voornamelijk door een conflict over Cuba dat dreigde uit te monden in een atoomoorlog. Om herhaling te voorkomen zochten beide grootmachten naar een betere onderlinge relatie. Deze periode van ontspanning tussen 1963 en 1979 staat bekend als de detente. Tegelijkertijd veranderde het beleid in Duitsland. Vanaf 1969 trad Willy Brandt aan als West-Duitse bondskanselier. Hij brak met de tot dan toe gehanteerde opstelling van de BRD, die principieel had geweigerd de DDR te erkennen. Brandt begon met zijn Ostpolitik: hij zocht voorzichtig toenadering tot de DDR en andere Oostblokstaten. Hij hoopte een sfeer te creëren waarin de DDR-leiders hun burgers meer vrijheid durfden te geven, wat uiteindelijk zou moeten leiden tot een vrijwillige hereniging. Dit beleid had succes: in 1972 erkenden de BRD en de DDR elkaar als gelijkwaardige staten in de internationale politiek. Om te zorgen voor steun uit het Westen streefde Brandt tegelijkertijd naar verdere Europese integratie en een hechte band met de Verenigde Staten. De nieuwe DDR-leider Erich Honecker stond weliswaar open voor een betere verstandhouding, maar zag de deling tussen beide Duitslanden als definitief. De DDR bleef een strikt communistische staat.

Links terrorisme in de BRD
Ondanks het economische succes van de West-Duitse wederopbouw ontstond er vanaf de jaren 1960 onder jongeren en linkse studenten grote kritiek op de samenleving. Er groeide een generatiekloof tussen hen en de oudere generatie die onder het nationaalsocialisme had geleefd. De jongeren verzetten zich tegen het kapitalisme en de consumptiecultuur, maar vroegen ook nadrukkelijk aandacht voor de beperkt gebleven denazificatie. Zij vonden het onacceptabel dat voormalige nazi's nog steeds belangrijke posities in de maatschappij bekleedden. In de jaren 1970 radicaliseerde een klein deel van deze jongeren. Dit leidde tot een golf van links terrorisme, waarbij tientallen mensen om het leven kwamen. De bekendste terreurgroep was de Rote Armee Fraktion (RAF). Een berucht onderdeel daarvan was de Baader-Meinhof-Gruppe, vernoemd naar twee van haar leden, die verantwoordelijk was voor bomaanslagen, overvallen en gijzelingen. De DDR verleende in het geheim steun aan de RAF in de vorm van geld en onderdak, met het doel de West-Duitse samenleving te destabiliseren. Dit veroorzaakte grote angst onder de West-Duitse bevolking.
Hervormingen in de Sovjet-Unie
In de jaren 1980 raakte de Sovjet-Unie in een diepe economische crisis. De lage productiviteit in de landbouw en industrie, gecombineerd met de hoge kosten van de wapenwedloop met de Verenigde Staten, bracht het land aan de rand van een bankroet. Toen Michail Gorbatsjov in 1985 de nieuwe leider van de Sovjet-Unie werd, voerde hij drie ingrijpende hervormingen door om het communisme te redden:
•Glasnost: dit bracht meer ruimte voor openheid van bestuur en persoonlijke vrijheid van meningsuiting.
•Perestrojka: dit omvatte politieke en economische herstructureringen, waaronder het toelaten van meer marktwerking.
•Het loslaten van de Brezjnevdoctrine: Gorbatsjov besloot dat de Sovjet-Unie niet langer militair zou ingrijpen als een communistisch land wilde democratiseren of hervormen.
Door de Brezjnevdoctrine los te laten kon de Sovjet-Unie bezuinigen op defensie en de banden met het Westen aanhalen. Dit zette echter een onvoorzien proces in gang: in heel Midden- en Oost-Europa eisten burgers democratie. Het verzet begon in Polen en Hongarije, waar de communistische regimes onder volksdruk hervormden. Toen Hongarije zijn grens met Oostenrijk opende en Moskou niet ingreep, bracht dit de overige communistische regimes in de regio aan het wankelen. In 1991 werd Gorbatsjov gedwongen af te treden, wat de definitieve ondergang van het communisme in de Sovjet-Unie betekende.

De val van de Berlijnse Muur en de hereniging
De DDR-leiding keurde de hervormingen van Gorbatsjov af, uit vrees dat meer vrijheid het einde van hun bewind zou betekenen. Oost-Duitse burgers verlangden echter naar de welvaart en vrijheid die zij kenden via de West-Duitse televisie en radio. In 1989 ontstond een massale protestbeweging voor democratie, terwijl duizenden burgers via Hongarije naar het Westen vluchtten. Onder deze druk en zonder steun van de Sovjet-Unie besloot de DDR-regering op 9 november 1989 om het grensverkeer vrij te geven. Dit veroorzaakte de val van de Berlijnse Muur. De DDR voerde daarop snel democratische en economische hervormingen door en organiseerde vrije verkiezingen. In oktober 1990 kwam de Duitse hereniging tot stand: de DDR wzs opgeheven en sloot zich aan bij de BRD, met Berlijn als gezamenlijke hoofdstad.
Problemen en uitdagingen na de hereniging
De hereniging bracht zowel internationale als binnenlandse spanningen met zich mee:
•Europees wantrouwen en de invoering van de euro: landen als Frankrijk, Groot-Brittannië en Nederland vreesden dat een herenigd Duitsland Europa zou overheersen. Om Frankrijk gerust te stellen verbond bondskanselier Helmut Kohl de hereniging en de uitbreiding van de Europese samenwerking aan het opgeven van de Duitse mark en de invoering van de euro. Deze afspraken legden het fundament voor de Europese Unie (EU).
•Economische en mentale kloof: de snelle overgang naar het kapitalisme leidde tot het faillissement van inefficiënte Oost-Duitse staatsbedrijven en veroorzaakte hoge werkloosheid. Dit vergrootte de mentale kloof tussen de voormalige Oost- en West-Duitsers, waarbij sommigen terugverlangden naar de sociale zekerheden van het oude regime.
•Spanningen door immigratie: de toename van arbeidsmigranten en vluchtelingen leidde met name in het voormalige Oost-Duitsland tot maatschappelijke weerzin, wat door het beladen Duitse verleden een grote uitdaging vormde voor de Duitse democratie.