Les over 3.1 Einde van een regionale grootmacht (1842-1911)

Les over 3.1 Einde van een regionale grootmacht (1842-1911)

Gemaakt door Ainstein
3.1 Einde van een regionale grootmacht (1842-1911)
Deze video bestaat uit
  • Het Chinese Keizerrijk (1644 - 1850)Het Chinese Keizerrijk (1644 - 1850)
  • Het Chinese Keizerrijk (1842 - 1911)Het Chinese Keizerrijk (1842 - 1911)
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 23:20
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Hoe kwam het einde van China als regionale grootmacht?

Leerdoelen

Je kunt beschrijven hoe en waarom het centrale gezag in China gedurende de 18e eeuw verzwakte.

Je kunt beschrijven hoe de westerse inmenging in China in de 19e eeuw steeds meer toenam.

Je kunt met voorbeelden uitleggen hoe Chinezen zich verzetten tegen of reageerden op het westers imperialisme.

Je kunt beschrijven hoe het Chinese Keizerrijk tussen 1900 en 1911 tot een einde kwam.

Je kunt de invloed van het confucianisme op de hiërarchische structuur van het Chinese keizerrijk uitleggen.

Je kunt de oorzaken en gevolgen van de Opiumoorlogen en de daaruit voortvloeiende ongelijke verdragen analyseren.

Belangrijke jaartallen

1839-1860: de twee Opiumoorlogen tussen China en westerse mogendheden vinden plaats.

1851-1864: de Taipingopstand verwoest grote delen van het midden, zuiden en oosten van China.

1853-1868: hongerlijdende boeren voeren grootschalige plundertochten uit tijdens de Nianopstand.

1899-1900: de Bokseropstand richt zich tegen buitenlanders en krijgt steun van keizerin-weduwe Cixi.

1911: een kleinschalige opstand groeit uit tot een nationale revolutie die een einde maakt aan het keizerrijk.

Een verzwakte staat

In de negentiende eeuw was China een keizerrijk dat werd geleid door de Qingdynastie (een dynastie is een reeks heersers uit dezelfde familie). Aan het hoofd stond de keizer, die zichzelf zag als de 'zoon van de hemel' en zijn land beschouwde als het 'middelpunt van de wereld'. Het immense rijk telde rond de 300 miljoen inwoners en de bevolking groeide snel. De economie was voornamelijk agrarisch, maar China exporteerde ook luxegoederen zoals zijde, thee en porselein. De keizer regeerde vanuit het paleizencomplex in Beijing, ondersteund door een grote groep ambtenaren. Toetreding tot deze machtige groep was voorbehouden aan rijke families die de studie van hun zonen konden bekostigen voor de verplichte staatsexamens. Deze examens toetsten kennis van het confucianisme. Volgens dit gedachtegoed kon een samenleving alleen in harmonie voortbestaan als iedereen zich aan zijn meerdere onderwierp. Dankzij de leer van Confucius werd de hiërarchische structuur van de samenleving eeuwenlang geaccepteerd: de keizerlijke familie stond bovenaan, geflankeerd door de ambtenaren en geleerden. Vanaf het einde van de achttiende eeuw verzwakte het centrale gezag van de keizer en zijn ambtenaren door twee grote problemen:

Hongersnoden: de bevolking groeide sterk, maar de landbouwproductie steeg niet mee.

Corruptie van ambtenaren: ambtenaren verrijkten zichzelf in de Chinese provincies, wat leidde tot grote sociale onvrede.

Modern imperialisme en de Opiumoorlogen

Sinds de zestiende eeuw bestond er in beperkte mate overzeese handel met Europese landen. De Qingkeizers beschouwden Europeanen echter als 'barbaren' die hen niets nuttigs konden leveren en legden strenge handelsbeperkingen op. Hierdoor bleef China lang onafhankelijk. In de negentiende eeuw kreeg Europa door de industrialisatie een grote technologische voorsprong. Westerse landen zochten naar grondstoffen en afzetmarkten en begonnen aan het modern imperialisme: het streven naar een groot koloniaal rijk. China behield tot 1900 een agrarische economie. De Britten kochten veel Chinese thee, maar hadden moeite om dit te financieren. Om dit op te lossen, smokkelden zij opium (een sterk verslavende drug uit Brits-Indië) naar China. Toen de keizer de Britse opium in beslag liet nemen en vernietigen, braken de Opiumoorlogen (1839-1860) uit tussen China en Groot-Brittannië (later gesteund door Frankrijk).

Een ijzeren Britse stoomboot vernietigt houten Chinese jonken tijdens de Eerste Opiumoorlog (Bron: Schilderij van een Britse schilder uit 1843)
Een ijzeren Britse stoomboot vernietigt houten Chinese jonken tijdens de Eerste Opiumoorlog (Bron: Schilderij van een Britse schilder uit 1843)

Door de technologische en militaire achterstand verloor China beide oorlogen. Het land werd gedwongen om ongelijke verdragen te sluiten. Hierdoor moesten meer kuststeden (zoals Shanghai) geopend worden voor Britse en Franse handelaren. In steden zoals Hongkong namen de Britten de macht over, patrouilleerden er, hieven belasting en spraken recht over hun eigen burgers. Ook landen als de Verenigde Staten, Rusland en later Japan dwongen vergelijkbare verdragen af. Tegen het einde van de negentiende eeuw namen westerse mogendheden zelfs steden in het binnenland met geweld in, waardoor de keizerlijke overheid steeds meer gezag en inkomsten kwijtraakte.

Chinees verzet en de Zelfversterkingsbeweging

De westerse inmenging en de interne sociaal-economische problemen leidden tot grote woede en het ontstaan van emancipatiebewegingen die streefden naar sociale en politieke gerechtigheid. De spanningen tussen arme boeren en corrupte ambtenaren, en etnische spanningen tussen de Han en andere volken, ontlaadden zich in twee grote opstanden:

Taipingopstand (1851-1864): een grote religieuze en politieke opstand in het midden, zuiden en oosten van China. De leider beschouwde zichzelf als de broer van Jezus en geloofde dat hij door God was gezonden om een einde te maken aan de Qingdynastie, mede omdat de keizer geen Han-Chinees was en samenwerkte met westerlingen.

Nianopstand (1853-1868): een opstand in het noorden van het land, veroorzaakt door hongerlijdende boeren die zich verenigden in grootschalige plundertochten.

Keizerlijke troepen sloegen beide opstanden met moeite neer. Om het keizerrijk te redden ontstond de Zelfversterkingsbeweging. Aanhangers geloofden dat het Qingregime alleen kon overleven door op militair en bestuurlijk vlak het voorbeeld te volgen van het Westen en het snel gemoderniseerde Japan. Er kwamen nieuwe militaire opleidingen, een modernere vloot, de verplichte staatsexamens werden afgeschaft en het hof begon met het opstellen van een grondwet. Deze hervormingen kwamen echter te laat.

Het einde van het keizerrijk

Aan het begin van de twintigste eeuw verloor de keizerlijke regering definitief het vertrouwen van de bevolking door twee duidelijke oorzaken:

1.De Qingregering bleek te zwak om op te treden tegen de westerse bemoeienis. Dit versterkte het nationalisme onder de bevolking: het idee dat elk volk recht heeft op zelfbestuur. In 1899 kwamen gewapende boeren, de Boksers, in opstand tegen buitenlandse aanwezigheid en missionarissen. Keizerin-weduwe Cixi besloot in 1900 deze Bokseropstand te steunen om haar regime te versterken. Buitenlandse mogendheden sloegen de opstand echter hardhandig neer, breidden hun militaire aanwezigheid uit en legden zware herstelbetalingen op.

2.De hervormingspogingen van het hof mislukten door een gebrek aan financiële middelen en doordat leden van de keizerlijke familie hervormingen doelbewust vertraagden uit angst voor het verlies van hun macht.

Gewapende Boksers tijdens de Bokseropstand in China
Gewapende Boksers tijdens de Bokseropstand in China

Door de toenemende haat jegens het keizerlijke bestuur gehoorzaamden ook militairen de overheid niet langer. Een kleinschalige opstand in 1911 mondde daardoor uit in een nationale revolutie, die definitief een einde maakte aan het keizerlijke bewind.