Les over 1.2 De positie van de stedelijke burgerij (1302-1602)
Handelscentrum Brugge
De protestantse Reformatie
Stichting van een Nederlandse staat

De positie van de stedelijke burgerij tussen 1302-1602
Leerdoelen
•Je kunt de functies van steden binnen het Nederlandse stedelijke netwerk rond 1300 uitleggen.
•Je kunt de rol van de wisselbrief in de internationale handel toelichten.
•Je kunt de veranderende relatie tussen de burgerij en de geestelijkheid beschrijven.
•Je kunt de invloed van de moderne devotie op de individuele geloofsbeleving verklaren.
•Je kunt de gevolgen van de centralisatiepolitiek voor de stedelijke burgerij uitleggen.
•Je kunt de politieke en religieuze oorzaken van de Nederlandse Opstand analyseren.
Belangrijke jaartallen
•1300: rond dit jaar vormen Vlaanderen en Brabant het economische zwaartepunt van de Nederlandse gewesten.
•1384-1482: de Bourgondische hertogen besturen de Lage Landen en streven naar centralisatie.
•1482: de familie Habsburg neemt het bestuur over de Lage Landen over van de Bourgondiërs.
•1566: de Beeldenstorm breekt uit als reactie op de strenge kettervervolgingen.
•1585: Antwerpen geeft zich over aan het Spaanse leger, waarna vele inwoners naar Amsterdam vluchten.
Stedelijke netwerken in de Lage Landen
Rond 1300 waren Vlaanderen en Brabant het economische zwaartepunt van de Nederlandse gewesten. Steden zoals Atrecht verloren hun voorsprong omdat handel over het water steeds belangrijker werd. Vlaamse steden zoals Brugge vonden via de Noordzee aansluiting op de handel met Spanje, Italië en de Hanze, een handelsnetwerk van steden dat zich uitstrekte van de Nederlanden via Duitsland tot aan Scandinavië. Doordat handelaren met steeds grotere hoeveelheden geld werkten en langere afstanden aflegden, ontstonden er financiële vernieuwingen. Handelaren gingen werken met de wisselbrief: een document waarop stond aangegeven hoeveel geld handelaren elkaar schuldig waren. Ook ontstonden de eerste banken, waar geld gewisseld en uitgeleend kon worden en waar wisselbrieven in geld omgezet werden. In de Nederlanden vormden steden een stedelijk netwerk waarin elke stad een specifieke functie vervulde:
•Brugge: dit was het belangrijkste handelscentrum en het financiële hart met een eigen koopmansbeurs voor geld- en beurszaken.
•Antwerpen: deze stad werd belangrijk voor de goederenhandel dankzij een goede verbinding met het Europese achterland en een diepe haven die toegankelijk was voor grote Italiaanse zeeschepen.
•Amsterdam: na 1350 specialiseerde deze stad zich in de graanhandel met het Oostzeegebied, omdat de Hollandse bodem ongeschikt was voor graanbouw. Hierdoor ontstond een grote koopvaardijvloot.
Religieuze en maatschappelijke veranderingen
In de late middeleeuwen versterkten steden hun zelfstandigheid. Burgers namen steeds meer taken over van de kerk, zoals de oprichting van scholen, ziekenhuizen en armenhuizen. Met de komst van universiteiten waren kloosters niet langer het enige centrum van kennis. De burgerij nam hiermee de zorg voor het bonum commune (het algemeen belang van de stedelingen) over van de geestelijkheid. Vanaf de 15e eeuw kwam er meer kritiek op misstanden binnen de kerk. Dit leidde tot vernieuwende religieuze bewegingen:
•Moderne devotie: een religieuze beweging die ontstond in Deventer. Volgelingen (zowel geestelijken als leken) leefden in gemeenschappen en geloofden dat ieder mens rechtstreeks contact met God kon hebben zonder tussenkomst van de kerk. Dit leidde tot een individuelere geloofsbeleving.
•Begijnen: vrouwelijke leken die samenwoonden in begijnhoven en hun leven wijdden aan het geloof.
•Bedelorden: kloosterlingen die zonder bezittingen leefden en afhankelijk waren van liefdadigheid.
Deze bewegingen bereidden de weg voor voor de 16e-eeuwse Reformatie: de splitsing van de West-Europese christelijke kerk. Dit proces begon als een hervormingsbeweging tegen misstanden zoals de verkoop van aflaten en de heiligenverering, maar resulteerde in een definitieve scheiding tussen het katholicisme en het protestantisme. Binnen het protestantisme kregen het lutheranisme (volgelingen van Maarten Luther) en het calvinisme (volgelingen van Johannes Calvijn) veel aanhang in de steden. Het calvinisme werd erg populair in de Nederlanden.

Centralisatiepolitiek versus particularisme
Vanaf de 14e eeuw probeerden vorsten de macht in hun rijk te vergroten door middel van centralisatie: het bestuur en de wetgeving vanuit één centraal punt regelen. In de Lage Landen werd het bestuur achtereenvolgens gevormd door de Bourgondische hertogen (1384-1482) en de machtige familie Habsburg (vanaf 1482). Vorsten verzamelden belastinggeld om ambtenaren en soldaten in dienst te nemen, waardoor zij minder afhankelijk werden van leenmannen. Dit stuitte op verzet van de steden, die hun stadsrechten, eigen rechtspraak en zelfstandige belastingheffing wilden verdedigen. Dit verschijnsel heet particularisme: het strijden voor de eigen, lokale stadsbelangen. Steden kwamen regelmatig in verzet tegen deze centralisatiedrang:
•Brugge: kwam in de 15e eeuw meerdere keren in opstand tegen de Bourgondische vorsten. De langdurige strijd leidde tot het einde van de Brugse welvaart.
•Antwerpen: nam in de 16e eeuw de financiële en handelsrol van Brugge over, versterkt door een eigen koopmansbeurs en de handel met de Spaanse en Portugese koloniën in Amerika na 1492.
Onder keizer Karel V werd de centralisatie verder doorgevoerd vanuit een centraal bestuur in Brussel. Karel V trad bovendien streng op tegen het protestantisme door het verspreiden van protestantse ideeën te verbieden op straffe van de doodstraf.
De Nederlandse Opstand
Koning Filips II zette de centralisatie en de strenge vervolging van protestanten door. De grote onvrede hierover leidde in 1566 tot de Beeldenstorm, waarbij protestanten katholieke kerken en beelden vernielden.

Als reactie stuurde Filips II de hertog van Alva met een leger naar de Nederlanden. Opstandige burgers schaarden zich achter Willem van Oranje, wat het begin markeerde van de Nederlandse Opstand. Tijdens deze strijd tussen Alva en Willem van Oranje lag de nadruk op de controle over de steden. Steden kozen vaak partij op basis van hun eigen belang en bestuurssamenstelling. Toen Antwerpen zich in 1585 na een lang beleg overgaf aan het Spaanse leger, vluchtten vele inwoners naar Amsterdam. Deze vluchtelingen namen waardevolle kennis, kapitaal en handelsnetwerken mee, wat een enorme economische impuls gaf aan Amsterdam en het gewest Holland. De opstandelingen streden aanvankelijk voor zelfstandigheid en tegen katholieke overheersing. Terwijl radicale calvinisten een verbod op het katholicisme eisten, streefden veel stedelijke bestuurders naar gewetensvrijheid: de vrijheid van burgers om hun eigen geloof te kiezen. Toen bleek dat zelfstandigheid en geloofsvrijheid onder de Spaanse koning onmogelijk waren, zwoeren de noordelijke gewesten Filips II af. Zij stichtten een republiek, waarin de politieke macht niet langer bij een koning lag, maar bij een deel van de stedelijke burgerij.