Les over 1.1 De opkomst van een stedelijke burgerij (1050-1302)
Verstedelijking en centralisatie

Hoe ontstond de stedelijke burgerij tussen 1050 en 1302?
Leerdoelen
•Je kunt de oorzaken van de stijgende landbouwproductiviteit vanaf de 11e eeuw benoemen.
•Je kunt de ontwikkeling van een monetaire economie verklaren.
•Je kunt de opkomst van een agrarisch-urbane samenleving in de Nederlandse gewesten beschrijven.
•Je kunt de gevolgen van stadsrechten voor de positie van een stad uitleggen.
•Je kunt de economische ontwikkeling van Vlaanderen in de late middeleeuwen toelichten.
•Je kunt de politieke spanningen in de middeleeuwse stad verklaren.
Belangrijke jaartallen
•1000: de bevolking in het gebied van het huidige Nederland bedroeg volgens moderne schattingen ongeveer 300.000 inwoners.
•1050-1300: de samenleving in de Lage Landen veranderde ingrijpend door bevolkingsgroei, het herleven van steden en de opkomst van handelsnetwerken.
•1300: de bevolking in het huidige Nederland was gegroeid naar 700.000 inwoners en het economische zwaartepunt van Vlaanderen verschoof weg uit Atrecht.
•1302: tijdens de Guldensporenslag bij Kortrijk versloegen Vlaamse ambachtslieden en boeren het sterke Franse ridderleger.
Van agrarische naar agrarisch-urbane samenleving
In de periode 1050-1300 lagen het huidige Nederland en een deel van België in het Heilige Roomse Rijk, aangeduid als de Lage Landen of de Nederlanden. Dit rijk werd feodaal bestuurd door leenmannen (graven en hertogen) die gebieden, ook wel gewesten genoemd, leenden van de keizer. In ruil voor bescherming door de leenman verleenden de inwoners diensten aan hem. In de 10e eeuw was het gebied dunbevolkt en nauwelijks verstedelijkt. Omdat het land grotendeels uit veen, moeras en bos bestond, verbouwde bijna iedereen voedsel voor zichzelf. Er was sprake van een agrarische samenleving: een maatschappijvorm waarin vrijwel iedereen werkzaam is in de landbouw en waarin ruilhandel en zelfvoorziening centraal staan. Vanaf de 11e eeuw werd de landbouw veel productiever door drie belangrijke oorzaken:
•Grondontginning: mensen kapten bossen en legden moerassen en venen droog, waardoor er meer ruimte kwam voor akkers.
•Het drieslagstelsel: in plaats van het oude tweeslagstelsel (waarbij land om het jaar braak lag) werd een akker het eerste jaar bebouwd met zomergraan, het tweede jaar met wintergraan en lag het pas het derde jaar braak. Dit leverde aanzienlijk meer graan op.
•Nieuwe technieken: boeren gebruikten betere ploegen en vervingen ossen door sterke paarden die de ploegen sneller en dieper door de grond konden trekken.
Deze stijging in landbouwproductie had twee grote gevolgen. Ten eerste ontstond er bevolkingsgroei doordat er meer voedsel beschikbaar kwam. Ten tweede hoefde niet iedereen meer in de landbouw te werken. Mensen gingen zich specialiseren in de productie van kleding, werktuigen en siervoorwerpen. De handel bloeide op rond strategische plekken zoals kruispunten van wegen of rivieren. Handelaren en ambachtslieden vestigden zich hier, wat leidde tot het ontstaan van een agrarisch-urbane samenleving: een maatschappijvorm waarin de meeste mensen in de landbouw werken, maar waar ook steden zijn met handel en nijverheid. Doordat goederen in steeds grotere hoeveelheden werden verhandeld, werd ruilhandel onpraktisch en ontstond er een monetaire economie waarbij geld als ruilmiddel diende.
Stadsrechten en de opkomst van de burgerij
De opkomst van steden bracht belangrijke politieke veranderingen met zich mee. Om hun economische en politieke positie te beschermen, vroegen stedelingen stadsrechten aan bij de lokale vorst. Met stadsrechten werd een stad een zelfstandige eenheid binnen het feodale stelsel. Een stad kreeg voorrechten zoals:
•Zelfbestuur: het recht om eigen bestuurders te kiezen.
•Eigen rechtspraak: het recht om eigen wetten te maken en overtreders zelf te berechten.
•Verdediging: het recht om een stadsmuur rond de stad te bouwen.
Vorsten verleenden graag stadsrechten omdat zij in ruil hiervoor belastingen en militaire steun van de steden kregen. De inwoners van een stad met stadsrechten werden burgers of poorters genoemd, die samen de burgerij vormden. Poorters hadden specifieke voorrechten, zoals het recht om een ambacht uit te oefenen, berecht te worden door stadsgenoten en gekozen te worden in bestuursfuncties. Niet iedere stadsbewoner was automatisch poorter; nieuwkomers van het platteland moesten hiervoor een geldbedrag betalen. Steden trokken graag nieuwe poorters aan omdat zij vers kapitaal en nieuwe kennis binnenbrachten.
Economische ontwikkeling en de rol van Vlaanderen
Een stad met stadsrechten bezat meestal ook het marktrecht. Dit hield in dat de stad een aantal keer per jaar een markt mocht organiseren, waarbij de vorst zorgde voor veilige wegen voor handelaren. Boeren uit de omgeving verkochten er hun overschotten en kooplieden verhandelden er goederen. Hierdoor kregen grote steden een centrale functie voor het omliggende verzorgingsgebied. Deze steden vormden een handelsnetwerk dat zich uitstrekte over heel West-Europa.

Vlaanderen ontwikkelde zich vanaf de 11e eeuw tot een van de meest verstedelijkte gebieden van Europa. Tot 1300 lag het economische zwaartepunt in de stad Atrecht (het huidige Arras). Dit had twee belangrijke redenen:
•Aanwezigheid van het bisdom: toen Atrecht eind 11e eeuw de hoofdstad van een bisdom werd, zorgden de bisschop en zijn hofhouding voor veel werkgelegenheid, vraag naar luxeproducten en omvangrijke bouwprojecten.
•De lakennijverheid: de productieve landbouw en schapenhouderij rond Atrecht maakten de stad het centrum van de lakennijverheid. Het Vlaamse laken (een hoogwaardige wollen stof) werd via een netwerk van jaarmarkten door heel Europa verkocht.
Sociale spanningen en politieke strijd
Door de opbloeiende handel ontstonden er binnen de burgerij grote sociale verschillen. Rijke kooplieden vormden een nieuwe bovenlaag: de patriciërs. De overige bewoners van de stad, zoals de ambachtslieden en arbeiders, werden het gemeen genoemd. Zij bezaten aanzienlijk minder rijkdom en invloed. De patriciërs versterkten hun machtspositie op drie manieren:
•Bestuursfuncties verdelen: zij verdeelden belangrijke stadsfuncties, zoals die van burgemeester en schepen, uitsluitend onder elkaar.
•Geld uitlenen aan vorsten: vorsten bouwden schulden op bij patriciërs, waardoor de vorstelijke macht afbrokkelde en patriciërs zich steeds meer als de adel gingen gedragen.
•Macht via gilden: een gilde was een vereniging van beroepsgenoten. Naast gilden voor ambachtslieden kwamen er gilden voor kooplieden. Omdat ambachtslieden afhankelijk waren van de verkoop door kooplieden, konden koopliedengilden de werkomstandigheden, grondstofprijzen en lonen dicteren.
Eind 13e eeuw leidden machtsmisbruik en corruptie door de patriciërs tot grote onvrede bij het gemeen. Ambachtslieden in verschillende Vlaamse steden kwamen in opstand. De Franse koning, die de leenheer van Vlaanderen was, koos de zijde van de patriciërs en stuurde een leger. De Vlaamse ambachtslieden en boeren bewapenden zichzelf en namen het in 1302 bij Kortrijk op tegen het Franse ridderleger tijdens de Guldensporenslag. De ambachtslieden en boeren versloegen het Franse leger, wat aantoonde dat het gemeen in staat was om de gevestigde orde van vorsten en patriciërs te trotseren.