Les over 5 Vroege middeleeuwen
Feodale stelsel
Het christendom in de middeleeuwen

De vroege middeleeuwen: monniken, ridders en leenheren
Leerdoelen
•Je kunt de economische, militaire en culturele betekenis van Constantinopel als hoofdstad van het Byzantijnse rijk uitleggen.
•Je kunt de machtspositie van de Byzantijnse keizer en de oorzaken en gevolgen van de breuk met de paus in Rome beschrijven.
•Je kunt het ontstaan, de belangrijkste kenmerken en de verspreiding van de islam en het Arabische rijk toelichten.
•Je kunt de bloei van de wetenschap, kunst en cultuur in de Arabische wereld en de invloed daarvan op Europa beschrijven.
•Je kunt uitleggen hoe het Frankische rijk ontstond en hoe Karel de Grote zijn rijk bestuurde met behulp van het leenstelsel.
•Je kunt de rol van de Vikingen en de opkomst van kastelen en ridders in de vroege middeleeuwen verklaren.
•Je kunt beschrijven hoe missionarissen het christendom in Europa verspreidde en hoe de kerkelijke hiërarchie en het kloosterleven waren georganiseerd.
•Je kunt uitleggen waarom de overgang van het Germaanse geloof naar het christendom langzaam verliep.
•Je kunt de werking van het hofstelsel en de sociale verhoudingen tussen heren, vrije boeren en horigen op een domein uitleggen.
•Je kunt de indeling van de middeleeuwse samenleving in drie standen met hun specifieke privileges en plichten toelichten.
Belangrijke jaartallen
•330: Inwijding van Constantinopel als nieuwe hoofdstad van het Romeinse Rijk.
•496: Bekering en doop van de Frankische koning Clovis.
•500-1000: De periode van de vroege middeleeuwen (tijd van monniken en ridders).
•537: Voltooiing van de Hagia Sophia onder keizer Justinianus.
•610: Eerste openbaring van de profeet Mohammed.
•622: De vlucht van Mohammed naar Medina (Hedsjra), het begin van de islamitische jaartelling.
•690: Willibrord begint met de verspreiding van het christendom in Nederland.
•732: De Slag bij Poitiers stopt de islamitische opmars in West-Europa.
•754: De missionaris Bonifatius wordt vermoord bij Dokkum.
•768-814: Regeerperiode van Karel de Grote over het Frankische rijk.
•800: Paus Leo III kroont Karel de Grote tot keizer.
•834: Vikingen plunderen de belangrijke handelsplaats Dorestad voor het eerst.
•1054: Het Oosters Schisma: de definitieve breuk tussen de Rooms-Katholieke Kerk en de oosters-orthodoxe kerk.
•1453: De verovering van Constantinopel door de islamitische Turken, wat het einde van het Byzantijnse rijk betekende.
5.1 Het Byzantijnse rijk
De middeleeuwen is de naam van de derde historische periode die in 500 begon en in 1500 eindigde. Terwijl het West-Romeinse Rijk in de 5e eeuw instortte, bleef het Oost-Romeinse Rijk nog duizend jaar bestaan. Dit rijk staat bekend als het Byzantijnse rijk, hoewel de inwoners zichzelf met trots Romeinen bleven noemen.
Een schitterende nieuwe hoofdstad
In 330 wijdde keizer Constantijn de nieuwe hoofdstad Constantinopel in, gelegen aan de strategische zeestraat de Bosporus. Deze ligging was economisch zeer gunstig omdat de stad op een knooppunt van land- en waterwegen lag. Militair gezien was Constantinopel door het omringende water en de enorme stadsmuren nagenoeg onneembaar. Het centrum van de stad werd gekenmerkt door monumentale gebouwen in Grieks-Romeinse stijl, een groot keizerlijk paleis en het Hippodroom, een paardenrenbaan waar wel 80.000 toeschouwers fanatiek de 'Blauwen' of de 'Groenen' aanmoedigden. Het meest indrukwekkende bouwwerk was de Hagia Sophia, die in 537 onder keizer Justinianus werd voltooid en eeuwenlang de grootste kerk ter wereld was.

Economie en samenleving
Constantinopel groeide uit tot een van de grootste handelscentra ter wereld. Er was een levendige handel in luxegoederen zoals Chinese zijde, Bulgaars linnen, ivoor uit Afrika en specerijen. Specerijen zijn plantaardige smaakstoffen, zoals peper en kaneel, die door Arabische handelaren uit Azië werden gehaald en aan Byzantijnse handelaren werden doorverkocht. In de stad werkten veel ambachtslieden, waarbij goud- en zilversmeden in hoog aanzien stonden. Constantinopel had een multiculturele samenleving waarin mensen uit verschillende culturen, zoals Arabieren, Grieken, Joden, Slaven en Turken, samenwoonden. Hoewel er tientallen talen werden gesproken, was Grieks de meest gesproken taal.
Keizer en kerk
De Byzantijnse keizer bezat absolute macht: hij was de hoogste wetgever, de hoogste rechter en de opperbevelhebber van het leger. Hij beschouwde zichzelf als Gods vertegenwoordiger op aarde en behandelde de geestelijken (mensen in dienst van de kerk) als zijn ondergeschikten. Deze verstrengeling van kerk en staat leidde tot een langdurig conflict met de paus in Rome, die zichzelf als de opperste leider van de gehele christelijke kerk beschouwde. Dit meningsverschil, mede aangewakkerd door theologische ruzies zoals de verering van heiligenbeelden, leidde in 1054 tot een definitieve breuk (het Oosters Schisma). Hierdoor ontstonden twee afzonderlijke kerken:
•De Rooms-Katholieke Kerk onder leiding van de paus in Rome, die dominant werd in West-Europa.
•De oosters-orthodoxe kerk, de christelijke kerk die voortkwam uit het Byzantijnse rijk en de belangrijkste godsdienst in Oost-Europa werd.
Cultuur, herstel en verval
De Grieks-Romeinse cultuur bleef in het Byzantijnse rijk bewaard doordat schrijvers klassieke teksten kopieerden en opsloegen in grote bibliotheken. Keizer Justinianus liet bovendien alle Romeinse wetten ordenen en opschrijven in een wetboek, dat later een grote invloed zou hebben op het Europese recht. In de kunst en architectuur smolten Grieks-Romeinse en christelijke elementen samen tot een unieke Byzantijnse stijl, gekenmerkt door prachtige mozaïeken en koepelkerken.
Justinianus probeerde in de 6e eeuw het oude Romeinse Rijk te herstellen door Italië, Noord-Afrika en Zuid-Spanje te veroveren, maar deze gebieden gingen al snel weer verloren. Door voortdurende aanvallen van buitenaf brokkelde het rijk in de eeuwen daarna steeds verder af. In 1453 werd Constantinopel definitief veroverd door de islamitische Turken, die de stad later hernoemden tot Istanbul. De Hagia Sophia werd na de verovering omgevormd tot een moskee.
5.2 De islam en de Arabische wereld
De islam is tegenwoordig een van de grootste monotheïstische godsdiensten op aarde. De religie ontstond in de 7e eeuw op het Arabisch Schiereiland en verspreidde zich snel over het Midden-Oosten, Noord-Afrika en delen van Europa.
Ontstaan van de islam
De geschiedenis van de islam begint bij de profeet Mohammed, een handelaar uit Mekka. Volgens islamitische verhalen verscheen in 610 de engel Gabriël aan hem in een grot, met de opdracht om de boodschap van de enige, almachtige God (Allah) te verkondigen. Volgelingen van de islam worden moslims genoemd. De openbaringen die Mohammed ontving, werden later opgeschreven in de Koran, het heilige boek van de moslims. De Koran deelt veel verhalen en profeten met het jodendom en het christendom, zoals Abraham (Ibrahim) en Mozes (Musa).
Vanwege de vijandige houding van de polytheïstische bewoners van Mekka, vluchtte Mohammed in 622 met zijn volgelingen naar Medina. Deze vlucht (de Hedsjra) markeert het begin van de islamitische jaartelling. In Medina stichtte Mohammed een islamitische staat, waarin hij zowel de godsdienstige als de politieke leider was. In 630 gaf Mekka zich over aan Mohammed. Hij reinigde de Kaäba, een kubusvormig heiligdom, van godenbeelden en riep het uit tot de heiligste plaats op aarde voor moslims. Rondom de Kaäba verrees later een grote moskee, het islamitische gebedshuis.

De vijf zuilen van de islam
Het leven van een moslim is gebaseerd op vijf religieuze plichten, ook wel de vijf zuilen genoemd:
•De geloofsbelijdenis (sjahada): er is geen god dan Allah, en Mohammed is Zijn profeet.
•Het rituele gebed (salat): vijfmaal per dag bidden in de richting van Mekka.
•Het geven van aalmoezen (zakat): financiële hulp aan armen en behoeftigen.
•Het vasten tijdens de negende maand van de islamitische kalender (ramadan).
•De bedevaart naar Mekka (hadj), die iedere moslim minimaal één keer in zijn leven moet maken als hij daartoe in staat is.
Verspreiding en het kalifaat
Na de dood van Mohammed in 632 kwam de politieke en geestelijke leiding van de islamitische gemeenschap in handen van de kaliefen (opvolgers). Zij breidden het islamitische rijk, het kalifaat, door veroveringen razendsnel uit. De veroveringsoorlogen werden aangeduid met de term jihad, wat zowel 'gewapende strijd tegen ongelovigen' als 'innerlijke, vreedzame strijd om een goed moslim te worden' kan betekenen. Binnen een eeuw strekte het rijk zich uit van Spanje en Portugal tot aan India.

De islamitische opmars in West-Europa werd in 732 gestuit tijdens de Slag bij Poitiers in Zuid-Frankrijk. Tot 750 was Damascus de hoofdstad van het Arabische wereldrijk, waarna de nieuwe dynastie van de Abbasiden de hoofdstad verplaatste naar Bagdad. Rond 750 viel het rijk politiek uiteen in kleinere rijken, maar de culturele eenheid bleef bestaan.
Tegenover joden en christenen waren de Arabische heersers over het algemeen tolerant, omdat zij ook 'mensen van het Boek' waren en in dezelfde God geloofden. Wel moesten zij een speciale belasting betalen en soms in aparte wijken wonen. Polytheïsten werden daarentegen hard aangepakt.
De Arabische cultuur en wetenschap
De gebieden waar de Arabische cultuur, het Arabische schrift en de islam dominant waren, worden samen de Arabische wereld genoemd. Dit was een landbouwstedelijke samenleving waarin de handel via uitgestrekte karavaanroutes een cruciale rol speelde. Steden als Bagdad, Caïro en Córdoba groeiden uit tot metropolen met grote bibliotheken en ziekenhuizen.
De wetenschap bereikte een ongekend hoog niveau. Arabische geleerden verzamelden, vertaalden en becommentarieerden klassieke Griekse en Perzische teksten. De Perzische geleerde Ibn Sina (Avicenna) schreef een medische encyclopedie die tot in de 17e eeuw het standaardwerk voor Europese artsen zou blijven. Ook op het gebied van wiskunde (de introductie van de cijfers tot en met , overgenomen uit India), sterrenkunde en geografie liepen de Arabieren ver voorop. Via Spanje en Sicilië kwamen deze kennis en nieuwe producten (zoals katoen, suiker, papier en spinazie) in Europa terecht.
5.3 Leenheren en leenmannen
Na de ondergang van het West-Romeinse Rijk was Europa politiek verdeeld en onveilig. Germaanse stammen, waaronder de Franken, stichtten eigen koninkrijken.
Het Frankische rijk en Karel de Grote
Het Frankische rijk breidde zich vanaf de 5e eeuw gestaag uit. Toen Karel de Grote in 768 koning werd, besloeg zijn rijk al grote delen van West-Europa. Karel voerde succesvolle oorlogen en veroverde onder meer Noord-Italië, Beieren en na een dertigjarige strijd ook het gebied van de Saksen. Vanwege zijn enorme macht en zijn rol als beschermer van de kerk, kroonde paus Leo III hem in 800 in Rome tot keizer. Karel zag zijn rijk als de rechtmatige opvolger van het Romeinse Rijk.
Bestuur en het leenstelsel
Het besturen van dit reusachtige rijk was door het verdwijnen van de Romeinse wegen, de krimp van steden en het nagenoeg ontbreken van een geldeconomie een grote uitdaging. Karel kon niet vanuit één vaste hoofdstad regeren; hij reisde continu rond tussen zijn verschillende paleizen (paltsen), zoals in Nijmegen en Aken, om zijn gezag (macht en overwicht) te tonen.
Om het rijk effectief te besturen, maakte Karel gebruik van het leenstelsel (ook wel feodalisme genoemd). Dit was een bestuurssysteem waarbij de koning als leenheer gebieden in leen gaf aan hoge edelen, de hertogen (bestuurders van een hertogdom) en graven (bestuurders van een graafschap). De edelman zwoer een plechtige eed van trouw aan de koning en werd daarmee zijn leenman (vazal). In ruil voor het leen mocht de leenman de inkomsten uit het gebied behouden, maar hij moest er namens de koning rechtspreken, de orde handhaven en soldaten leveren voor het koninklijke leger.
Verdeeldheid en de Vikingen
Na de dood van Karel de Grote in 814 viel het Frankische rijk uiteen door erfopvolgingsstrijd tussen zijn nakomelingen, wat leidde tot het ontstaan van het West- en het Oost-Frankische rijk. Bovendien veranderde de relatie tussen leenheren en leenmannen: de leenmannen gingen de geleende gebieden als hun persoonlijke, erfelijke bezit beschouwen. Zij gingen op hun beurt zelf achterleenmannen benoemen om kleinere gebieden te besturen. Dit leidde tot extreme politieke versnippering en interne oorlogen.
De onveiligheid in Europa werd vergroot door de invallen van de Vikingen (Noormannen), Germanen uit Scandinavië. Vanaf het einde van de 8e eeuw teisterden zij de Europese kusten met meedogenloze rooftochten, waarbij vooral rijke en slecht beschermde kloosters en handelssteden (zoals Dorestad) het doelwit waren. Door het Scandinavische erfrecht, waarbij alleen de oudste zoon het land van zijn vader erfde, trokken jongere zonen eropuit om roem en buit te vergaren. Sommige Vikingen vestigden zich permanent in de veroverde gebieden; zo kreeg de Vikinghoofdman Rollo in 911 het hertogdom Normandië in leen van de Franse koning om andere Vikingen tegen te houden.
Kastelen en ridders
Om zich te verdedigen tegen Vikingen en rivaliserende edelen, begonnen landheren versterkte burchten en kastelen te bouwen. Aanvankelijk waren dit eenvoudige houten torens op een heuvel met een gracht, maar vanaf de 12e eeuw werden dit massieve stenen kastelen. Edelen namen professionele soldaten te paard in dienst: de ridders. Dankzij de introductie van de stijgbeugel in de 8e eeuw zaten ruiters steviger in het zadel, waardoor zij zware wapenrustingen (zoals een maliënkolder en later een metalen harnas) konden dragen en met een lans konden vechten. Ridders vormden de militaire elite van de middeleeuwen.
5.4 Europa wordt christelijk
De verspreiding van het christendom over heel Europa was een langdurig proces dat zich voltrok tussen de 5e en de 11e eeuw.
De verspreiding van het christendom
De kerstening van Europa werd geleid door missionarissen: geestelijken met de specifieke missie om het christelijke geloof te verspreiden onder niet-christelijke volkeren. De christenen duidden de polytheïstische Germanen en Kelten aan als heidenen. Missionarissen probeerden heidenen te bekeren door hen te dopen, wat symbool stond voor het afwassen van hun zonden (overtredingen van de godsdienstige regels), en door hen een eeuwig leven in de hemel te beloven.
In 690 arriveerde de Engelse missionaris Willibrord in Nederland om de Friezen te bekeren. Hij vestigde zijn hoofdkwartier in Utrecht.

Verzet en bekering
De Friezen en Saksen verzetten zich fel tegen de missionarissen. Zij wilden hun traditionele goden, zoals Donar en Wodan, en heilige natuurplaatsen niet opgeven. Bovendien zagen zij de missionarissen als handlangers van de Frankische koningen, die probeerden hun gebieden te onderwerpen. Dit leidde tot gewelddadige confrontaties; zo werd de missionaris Bonifatius in 754 nabij Dokkum door Friezen vermoord.
De definitieve bekering van de Friezen en Saksen werd uiteindelijk met militair geweld afgedwongen door Karel de Grote. Hij vaardigde strenge wetten uit waarin de doodstraf stond op het weigeren van de doop of het verbranden van kerken. Hoewel de geleerde Alcuinus adviseerde om mensen met zachte hand en vrijwillig te bekeren, koos Karel voor een harde aanpak.
De versmelting van gebruiken
De overgang van het oude Germaanse geloof naar het christendom verliep in de praktijk erg langzaam. Germaanse en christelijke tradities bleven nog eeuwenlang naast elkaar bestaan. Om de overgang te vergemakkelijken, pasten missionarissen heidense elementen aan:
•Heidense feesten werden omgevormd tot christelijke feestdagen (zoals het midwinterfeest dat Kerstmis werd).
•De namen van de weekdagen bleven herinneren aan Germaanse goden (woensdag naar Wodan, vrijdag naar Freya).
•De kerk verspreidde legendes: wonderlijke verhalen over heiligen (mensen die na hun dood worden vereerd om hun sterke geloof en goede daden), die als moreel voorbeeld dienden voor de bevolking.

De organisatie van de kerk en het kloosterleven
De christelijke kerk was strak hiërarchisch georganiseerd als een piramide. Aan de top stond de paus in Rome. Direct daaronder stonden de aartsbisschoppen, die leiding gaven aan een kerkprovincie, gevolgd door de bisschoppen. Aan de basis stonden de lokale pastoors, die in hun wekelijkse preek (godsdienstige toespraak) aan de dorpsbewoners uitlegden hoe zij als goede christenen moesten leven.
Een aparte groep binnen de geestelijkheid waren de monniken en nonnen. Zij leefden afgezonderd van de samenleving in een klooster (of abdij), dat onder leiding stond van een abt (voor mannen) of een abdis (voor vrouwen). Veel kloosterlingen leefden volgens de strenge kloosterregels van Benedictus, die hen verplichtten tot celibaat, armoede en gehoorzaamheid. Hun dagelijks leven bestond uit bidden en werken (ora et labora).
Kloosters vervulden een cruciale rol in de middeleeuwse samenleving:
•Zij boden onderwijs en ziekenzorg.
•Zij waren centra van landbouwvernieuwing en ambachten.
•Zij bewaarden klassieke en christelijke kennis door het handmatig kopiëren van boeken (monnikenwerk).
Omdat vrijwel alleen geestelijken konden lezen en schrijven, traden zij vaak op als adviseurs, schrijvers en bestuurders aan het hof van koningen.
5.5 Machtige heren, halfvrije boeren
Door het uiteenvallen van het Romeinse Rijk en de aanhoudende onveiligheid veranderde de economische structuur van West-Europa ingrijpend. De landbouwstedelijke samenleving maakte plaats voor een pure landbouwsamenleving, waarin vrijwel iedereen op het platteland woonde en werkte.
Het hofstelsel
Omdat het platteland onveilig was door plunderende edelen en Vikingen, zochten kwetsbare boeren bescherming bij een machtige lokale heer (een edelman of een klooster). In ruil voor deze bescherming gaven de boeren een deel van hun persoonlijke vrijheid op. Zij werden horigen: halfvrije boeren die aan de grond van de heer gebonden waren en het domein niet zonder toestemming mochten verlaten. Deze rechtstoestand wordt horigheid genoemd.
De economie was georganiseerd rondom het domein, het landgoed van de heer. Dit economische en sociale systeem staat bekend als het hofstelsel. Een domein bestond uit twee delen:
•Het vroonland: het land dat direct door de heer werd geëxploiteerd. In het centrum hiervan lag het hof, de versterkte boerderij of het kasteel van de heer, met daaromheen werkplaatsen, schuren, een molen en een kerk.
•Het hoevenland: de verspreide akkers en boerderijen van de horige boeren, die zij voor eigen levensonderhoud mochten bewerken.
De domeinen waren grotendeels zelfvoorzienend (autarkisch): de bewoners produceerden vrijwel alles wat zij nodig hadden, zoals voedsel, kleding en gereedschap, zelf. Er was nauwelijks handel met de buitenwereld, al bleven lokale markten en handelsplaatsen zoals Dorestad (gelegen op een splitsing van de Rijn en de Lek) bestaan voor de handel in specifieke goederen zoals zout, wijn en metalen wapens.
Rechten en plichten op het domein
Horigen hadden zware plichten tegenover hun heer. Zij moesten een aanzienlijk deel van hun oogst aan hem afstaan en onbetaalde herendiensten verrichten. Herendiensten waren fysieke werkzaamheden voor de heer, zoals het bewerken van het vroonland, het graven van sloten, het kappen van bomen of het bouwen van hekken. Vrije boeren, die hun persoonlijke vrijheid wel hadden behouden, hoefden geen herendiensten te doen, maar zij hadden de zware plicht om mee te vechten in het leger van de heer (dienstplicht).
De drie standen
De middeleeuwse samenleving was ingedeeld in drie vaste sociale groepen, de zogenaamde standen. Je geboorte bepaalde onherroepelijk tot welke stand je behoorde:
Stand | Functie | Privileges (voorrechten) | Plichten |
|---|---|---|---|
Eerste stand: Geestelijkheid | Bidden en zorgen voor het zielenheil van de mensen. | Vrijstelling van belastingen, eigen rechtspraak. | Het geloof verspreiden, bidden voor de samenleving. |
Tweede stand: Adel | Strijden, besturen en beschermen van de bevolking. | Vrijstelling van belastingen, heerlijke rechten (zoals jachtrecht en het recht om recht te spreken). | Bescherming bieden aan de lagere standen, oorlog voeren. |
Derde stand: Boeren (en burgers) | Werken op het land om de samenleving te voeden. | Recht op bescherming en een eerlijke rechtspraak. | Belasting betalen (in natura), herendiensten verrichten. |
Ridders treden toe tot de adel
Vanaf de 11e eeuw veranderde de status van de ridders. Oorspronkelijk waren zij gewapende ruiters van eenvoudige komaf, maar door de hoge kosten van een paard en een ijzeren uitrusting werd het ridderschap een exclusieve adellijke aangelegenheid. Ridders gingen deel uitmaken van de adelstand.
De opleiding tot ridder was lang en intensief. Een adellijke jongen begon op zijn zevende als page aan het kasteel van een andere heer, waar hij manieren leerde en lichte klusjes deed. Rond zijn veertiende werd hij schildknaap, de persoonlijke assistent van een ridder die hij vergezelde op veldtochten. Rond zijn eenentwintigste werd de schildknaap met de ridderslag officieel tot ridder gewijd. Ridders moesten zich houden aan een strikte erecode: zij moesten moedig, trouw en rechtvaardig zijn. Om hun vaardigheden te trainen en te tonen aan het publiek, namen zij deel aan riddertoernooien. Om in de strijd herkenbaar te blijven onder hun gesloten helmen, droegen ridders een unieke afbeelding (zoals een leeuw of adelaar) op hun schild en paardendeken: het wapenschild.