Les over 2 Grieken & Romeinen
Griekse kunst, wetenschap en politiek
TV 2 – Romeinen, christenen en Germanen

De Grieken en Romeinen: alles over de klassieke oudheid
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen wat de Griekse stadstaat is en hoe de Atheense democratie werkte.
•Je kunt beschrijven hoe de Griekse filosofen het wetenschappelijk denken vormgaven.
•Je kunt de kenmerken van de klassieke Grieks-Romeinse stijl in de kunst en architectuur benoemen.
•Je kunt uitleggen hoe het Romeinse wereldrijk ontstond en werd bestuurd.
•Je kunt de relatie tussen de Romeinen en de Germanen beschrijven en verklaren hoe dit leidde tot de val van het West-Romeinse Rijk.
•Je kunt het verschil tussen monotheïsme en polytheïsme uitleggen en de opkomst van het christendom beschrijven.
Belangrijke jaartallen
•ca. 800 v.C. – ca. 500 n.C.: De klassieke Oudheid.
•753 v.C.: De legendarische stichting van Rome door Romulus.
•507 v.C.: Rome wordt een republiek na het afzetten van de laatste koning.
•44 v.C.: Julius Caesar roept zichzelf uit tot dictator voor het leven en wordt kort daarna vermoord.
•27 v.C.: Augustus wordt de eerste keizer van het Romeinse Rijk.
•tot 180 n.C.: De Pax Romana, een lange periode van rust, vrede en welvaart.
•omstreeks 300 n.C.: Het christendom groeit sterk en krijgt officiële steun van de keizer.
•313 n.C.: Keizer Constantijn de Grote verleent godsdienstvrijheid aan christenen met het Edict van Milaan.
•380 n.C.: Keizer Theodosius I maakt het christendom de officiële staatsgodsdienst.
•395 n.C.: Het Romeinse Rijk wordt definitief gesplitst in het West- en Oost-Romeinse Rijk.
•tussen 400 en 500 n.C.: Grote volksverhuizingen van Germaanse stammen die het rijk binnendringen.
•476 n.C.: De laatste West-Romeinse keizer wordt afgezet; dit markeert het einde van het West-Romeinse Rijk.
De Griekse stadstaat en de democratie
De Grieken woonden in het gebied rond de Egeïsche Zee in kleine, zelfbesturende eenheden die stadstaten (of poleis) worden genoemd. Hoewel deze staten dezelfde taal en cultuur deelden, stonden ze los van elkaar. Deze zelfstandigheid zorgde voor onderlinge competitie, wat de kans op nieuwe ontwikkelingen in de politiek en wetenschap enorm vergrootte. In de politiek ontwikkelden de Grieken het revolutionaire idee dat een staat er was voor het algemene nut van de burgers. In plaats van blinde gehoorzaamheid aan priesters of godkoningen, moesten burgers nu zelf nadenken over het bestuur. Er ontstonden verschillende bestuursvormen in de stadstaten:
•Monarchie: De macht ligt bij één erfelijke heerser, zoals een koning.
•Tirannie: Eén persoon grijpt op onwettige wijze de macht, vaak met geweld.
•Aristocratie: De macht is in handen van een groep adellijke, invloedrijke families.
•Oligarchie: Een zeer kleine groep rijken of edelen heeft de macht.
•Democratie: De macht ligt bij het volk.
In Athene vonden de burgers de democratie de beste vorm. Dit was een directe democratie, waarin burgers fysiek bijeenkwamen in een grote volksvergadering om te stemmen over wetten en besluiten. Alleen volwassen, vrije mannen die in Athene geboren waren golden als burger. Vrouwen, slaven en vreemdelingen hadden geen stemrecht, waardoor slechts 10 tot 15 procent van de bevolking mocht meebeslissen. Om te voorkomen dat één persoon te machtig werd, gebruikten ze het schervengericht (of ostracisme), waarbij een te machtige burger voor tien jaar kon worden verbannen.
Griekse wetenschap en filosofie
Net als in de politiek lieten de Grieken in de wetenschap de gehoorzaamheid aan de goden los. Griekse filosofen (wijsgeren), zoals Sokrates, Plato en Aristoteles, dachten op een kritische en zelfstandige manier na. Zij zochten naar verklaringen voor natuurverschijnselen in de natuur zelf, in plaats van alles toe te schrijven aan goden. Dit rationele en wetenschappelijke denken stelde dat ware kennis voortkomt uit eigen onderzoek en verstandelijk redeneren, en niet uit oude mythen of tradities.

Naast de filosofie ontwikkelden de Grieken ook andere wetenschappen, zoals de wiskunde (denk aan de stelling van Pythagoras), de geschiedschrijving (met Herodotus als grondlegger) en de geneeskunde (waar artsen de eed van Hippocrates aflegden).
De klassieke stijl in kunst en architectuur
Met het woord klassiek bedoelen we dat een cultuur 'voorbeeldig' is en in latere eeuwen steeds als maatstaf of voorbeeld wordt gekozen. De Grieken ontwikkelden als eersten deze klassieke beschaving. In de bouwkunst is de Griekse tempel met zijn kenmerkende zuilenrijen en timpaan (de lage driehoek boven de zuilen) het bekendste voorbeeld. In de beeldhouwkunst streefden de Grieken naar een ideaalbeeld van de 'mooie' mens, waarbij ze beelden van helden en goden maakten met perfecte, wiskundig berekende verhoudingen. De Romeinen namen deze klassieke stijl over, maar voegden er eigen vernieuwingen aan toe. In de architectuur gebruikten zij veel ronde vormen, zoals bogen en koepels, en maakten ze gebruik van beton om grotere en stevigere bouwwerken te realiseren. Een beroemd voorbeeld hiervan is het amfitheater het Colosseum.

In de beeldhouwkunst kozen de Romeinen, in tegenstelling tot de idealiserende Grieken, voor meer realisme. Zij gaven rimpels, ouderdom en imperfecties natuurgetrouw weer. Deze mengeling van stijlen vormde de basis voor de Grieks-Romeinse cultuur.
Het Romeinse wereldrijk en de romanisering
Net als de Grieken begonnen de Romeinen in een stadstaat. Omdat zij vonden dat de staat er was voor het algemeen belang, noemden ze hun staat een republiek (Latijn voor 'algemeen belang'). De Romeinen slaagden er echter in om een gigantisch wereldrijk te veroveren dat zich uitstrekte van Engeland tot het Midden-Oosten en van Nederland tot Noord-Afrika.

In zo'n enorm rijk was een directe democratie onmogelijk door de grote afstanden. Daarom ontwikkelde zich rond het begin van de jaartelling de alleenheerschappij van keizers, met Caesar en Augustus als stichters. Hun macht rustte op de kracht van het sterke Romeinse leger. Toch waren Romeinse burgers geen rechteloze onderdanen; het Romeinse recht was hoogontwikkeld en bood burgers bescherming tegen willekeur van de overheid. Door de veroveringen verspreidde de Grieks-Romeinse cultuur zich over heel Europa. Dit proces van cultuuroverdracht en aanpassing aan de Romeinse cultuur noemen we romanisering.
Romeinen en Germanen
Aan de noordgrens van het Romeinse Rijk woonden de Germanen. Zij waren minder hoog ontwikkeld dan de Romeinen: ze hadden geen schriftcultuur, geen wetenschap en geen ideeën over burgerschap. Ze leefden in stamverbanden en volgden koningen die volgens hen over goddelijke macht beschikten. Hoewel er regelmatig gewelddadige confrontaties waren, werkten de Romeinen en Germanen ook veel samen. De Germanen bewonderden de Romeinse cultuur en dreven handel met hen. Sommige stammen, zoals de Bataven in het huidige Nederland, sloten verdragen met de Romeinen. Zij mochten in het grensgebied blijven wonen in ruil voor het leveren van soldaten om de grens te verdedigen. Vanaf de derde eeuw nam de druk op de grenzen echter toe. In de vijfde eeuw werden Germaanse stammen door de oprukkende Hunnen westwaarts gedreven. Deze grote volksverhuizingen zorgden ervoor dat Germaanse strijdgroepen het rijk binnendrongen en de macht overnamen. Dit leidde in 476 n.C. tot de val van het West-Romeinse Rijk.

Jodendom en christendom
In het door de Romeinen veroverde Palestina woonde het Joodse volk. Zij hingen het jodendom aan, de eerste monotheïstische godsdienst (het geloof in één God). Dit botste met de polytheïstische religie van de Romeinen, die meerdere goden vereerden. Waar polytheïsten tolerant waren en probeerden verschillende goden gunstig te stemmen met offers, was het monotheïsme minder verdraagzaam omdat er maar één ware God kon zijn. De spanningen tussen de Romeinen en de Joden leidden tot een opstand, de verwoesting van de tempel in Jeruzalem en de diaspora (de verspreiding van de Joden over de wereld). Uit het jodendom ontstond in de eerste eeuw n.C. het christendom, gebaseerd op de leer van Jezus Christus. Jezus werd door de Romeinen als oproerkraaier gekruisigd. Zijn volgelingen zagen zijn kruisdood als een offer om de mensheid te verlossen en beschouwden hem als de Zoon van God. Door het geloof in hem konden mensen een eeuwig leven in het hiernamaals krijgen. Aanvankelijk werden christenen streng vervolgd omdat zij weigerden de keizer als god te vereren. Desondanks groeide de aanhang snel. In 313 n.C. gaf keizer Constantijn de Grote de christenen godsdienstvrijheid, nadat hij naar verluidt een veldslag won onder het christelijke Chi-Rho-teken. In 380 n.C. maakte keizer Theodosius I het christendom zelfs tot de officiële staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk. Andere godsdiensten werden vanaf dat moment verboden. Toen het West-Romeinse Rijk in 476 n.C. uiteenviel, bleef het christendom en daarmee een groot deel van de klassieke cultuur overeind. Christelijke bisschoppen namen de leiding over in de voormalige Romeinse steden, waardoor de Grieks-Romeinse erfenis bewaard bleef voor de toekomst van Europa.