Les over 1 De nadagen van het Ottomaanse Rijk

Les over 1 De nadagen van het Ottomaanse Rijk

Gemaakt door Ainstein
1 De nadagen van het Ottomaanse Rijk
Deze video bestaat uit
  • Modern imperialismeModern imperialisme
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 02:40
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

De nadagen van het Ottomaanse Rijk en het Midden-Oosten

Leerdoelen

Je kunt de historische context van de Armeense genocide en de overgang van het Ottomaanse Rijk naar de seculiere Republiek Turkije uitleggen.

Je kunt het ontstaan van het zionisme verklaren aan de hand van het Europees nationalisme, antisemitisme en het werk van Theodor Herzl.

Je kunt de betekenis en de tegenstrijdigheden van de Balfourverklaring analyseren.

Je kunt de oorzaken en gevolgen van de stichting van de staat Israël in 1948 en de daaropvolgende vluchtelingenstroom beschrijven.

Je kunt de rol van president Nasser en de Baath-partij in het Arabisch nationalisme en socialisme toelichten.

Je kunt het verloop en de gevolgen van de drie grote Arabisch-Israëlische oorlogen (Suezcrisis, Zesdaagse Oorlog en Jom Kippoeroorlog) met elkaar vergelijken.

Je kunt de oorzaken en de conservatieve aard van de Islamitische Revolutie in Iran in 1979 verklaren.

Je kunt de opkomst van het moslimfundamentalisme in Turkije en Egypte analyseren.

Belangrijke jaartallen

1896: Publicatie van het boek Der Judenstaat door de zionistische pionier Theodor Herzl.

1915: De deportatie van en moord op de Armeniërs (Armeense genocide) tijdens de Eerste Wereldoorlog.

1917: Afkondiging van de Balfourverklaring door de Britse regering.

1923: Uitroepen van de seculiere Republiek Turkije onder leiding van Mustafa Kemal Atatürk.

1936-1939: Grote Arabische opstand in Palestina tegen de Joodse immigratie en het Britse bestuur.

1939: Publicatie van het Britse Witboek dat de Joodse immigratie drastisch beperkt.

1940-1945: De Holocaust, de systematische moord op zes miljoen Joden door de nazi's in Europa.

1947: Het verdelingsplan van de Verenigde Naties voor Palestina.

1948: Uitroepen van de onafhankelijke staat Israël en het uitbreken van de eerste Arabisch-Israëlische oorlog.

1956: De Suezcrisis na de nationalisatie van het Suezkanaal door de Egyptische president Nasser.

1967: De Zesdaagse Oorlog, waarbij Israël de Sinaï, de Gazastrook, de Westelijke Jordaanoever en de Golanhoogte verovert.

1973: De Jom Kippoeroorlog en de daaropvolgende wereldwijde oliecrisis.

1979: De Islamitische Revolutie in Iran onder leiding van ayatollah Khomeini en de Camp Davidakkoorden tussen Egypte en Israël.

De nadagen van het Ottomaanse Rijk en de opkomst van Turkije

De Armeense genocide in 1915 is een van de meest ingrijpende gebeurtenissen uit de nadagen van het Ottomaanse Rijk. Tijdens de Eerste Wereldoorlog bevond het rijk zich in zware omstandigheden. Dit vormt de historische context waarin de Ottomaanse regering besloot tot de systematische deportatie van en moord op de christelijke Armeniërs. De regering streefde naar turkificatie: het beleid om van het diverse, multiculturele Ottomaanse Rijk een homogene Turkse staat te maken. Onder invloed van het opkomende nationalisme werden de Armeniërs gewantrouwd en gezien als bondgenoten van aartsvijand Rusland. Tot op de dag van vandaag weigert de Turkse regering deze gebeurtenissen als genocide te erkennen, wat internationaal nog altijd tot felle politieke discussies leidt. Na de nederlaag in de Eerste Wereldoorlog viel het Ottomaanse Rijk definitief uiteen. De overwinnaars, Groot-Brittannië en Frankrijk, verdeelden het Midden-Oosten onderling via de geheime Sykes-Picotovereenkomst (1916). Dit leidde tot de instelling van mandaatregeringen namens de Volkenbond, wat een typisch voorbeeld was van modern imperialisme. Tijdens de Vredesconferentie van Parijs in 1919 botsten de idealen van de grote mogendheden: de Franse premier Clemenceau zocht vooral naar herstel van de Franse koloniale macht, de Britse premier Lloyd George wilde het leeuwendeel van de oorlogsbuit, en de Amerikaanse president Wilson pleitte idealistisch voor democratie en het zelfbeschikkingsrecht van kleine naties. In de overgebleven Turkse gebieden greep generaal Mustafa Kemal de macht. In 1923 riep hij de Republiek Turkije uit. Hij wilde van Turkije een moderne, westerse en strikt seculiere staat maken, waarin religie en staat volledig gescheiden waren. Om dit te bereiken voerde hij een reeks radicale hervormingen door:

1924: Het kalifaat (het islamitische wereldlijke en geestelijke leiderschap) wordt officieel afgeschaft.

1925: Verbod op Derwisj-orden en sluiting van kloosters; de fez (traditionele hoofddeksel) wordt verboden door de 'Hoedenwet'.

1926: Invoering van een nieuw seculier wetboek ter vervanging van de sharia (de islamitische wetgeving).

1926: Vrouwen krijgen gelijke burgerrechten en later ook kiesrecht.

1928: De islam verliest zijn status als staatsreligie.

1934: Traditionele titels (zoals bey en pasja) worden afgeschaft en de verplichte invoering van achternamen wordt van kracht. Kemal krijgt van het parlement de naam 'Atatürk' (vader der Turken).

1935: De Aya Sofia in Istanbul verandert van een moskee in een museum.

Deze secularisering leidde tot grote spanningen tussen de seculiere elite en conservatieve moslims. Tegelijkertijd zorgde de stichting van de republiek voor een enorme toestroom van islamitische vluchtelingen uit de verloren gegane Ottomaanse gebieden in Europa en de Kaukasus naar Turkije.

Joden en Palestijnen in Brits Palestina (1917-1948)

Het zionisme

Na de wrede onderdrukking van een Joodse opstand door de Romeinen in 70 n. Chr. raakte het Joodse volk verspreid over de wereld. Deze verspreiding wordt de diaspora genoemd. Eeuwenlang bleven Joodse gemeenschappen in de diaspora de religieuze en historische band met Palestina koesteren. In Europa leefden Joden als een religieuze minderheid en werden zij vaak geconfronteerd met hardnekkig antisemitisme (Jodenhaat). Aan het eind van de negentiende eeuw nam het nationalisme in Europa sterk toe, wat in Oost-Europa en met name in het Russische Rijk leidde tot gewelddadige aanvallen op Joodse gemeenschappen, ook wel pogroms genoemd. Als reactie op deze vervolgingen ontstond het zionisme: het streven van Joden om terug te keren naar Palestina om daar een eigen, onafhankelijke staat te stichten. De Hongaars-Joodse journalist Theodor Herzl gaf deze beweging een beslissende impuls met zijn boek Der Judenstaat (1896). Herzl was diep geschokt door de Dreyfusaffaire in Parijs, waarbij een Joodse kapitein ten onrechte van landverraad werd beschuldigd, en zag het Europese antisemitisme als een onuitroeibare ziekte. In 1897 werd de Zionistische Wereldorganisatie opgericht om een internationaal erkend nationaal tehuis in Palestina te stichten. Hoewel Palestina destijds bewoond werd door driekwart miljoen Arabieren, zagen de zionisten dit niet als een beletsel. Sommige vroege zionisten, zoals Israel Zangwill, waarschuwden echter al vroeg dat de Arabische bevolking zich niet zomaar gewapenderhand zou laten verdrijven of overheersen.

De Balfourverklaring

Tijdens de Eerste Wereldoorlog kregen de zionistische plannen onverwachte steun van de Britse regering. Op 2 november 1917 stuurde de Britse minister van Buitenlandse Zaken James Balfour een brief aan de zionistische beweging, de Balfourverklaring. Hierin sprak de Britse regering haar steun uit voor de stichting van een "Joods nationaal tehuis" in Palestina. De Britten hadden hiervoor verschillende motieven:

Medelijden met de slachtoffers van het Europese antisemitisme.

De hoop op gunstige leningen van Joodse bankiershuizen tijdens de oorlog.

Imperialistische ambities: een westers gezinde Joodse staat in het Midden-Oosten kon dienen als strategische springplank om het nabijgelegen Suezkanaal en de olievelden te beschermen.

Dankbaarheid jegens de zionistische chemicus Chaim Weizmann, die de Britse oorlogsindustrie had geholpen met de productie van synthetisch aceton voor dynamiet.

De Balfourverklaring bevatte echter een innerlijke tegenstrijdigheid: enerzijds beloofde het een Joods nationaal tehuis, anderzijds stelde het dat de burgerlijke en godsdienstige rechten van de bestaande "niet-Joodse gemeenschappen" (de Arabische meerderheid) niet mochten worden aangetast. Hiermee legden de Britten de kiem voor het latere Israëlisch-Palestijnse conflict. Hoewel prins Feisal en Chaim Weizmann in 1919 nog een overeenkomst sloten over Arabisch-Joodse samenwerking, werd deze hoop snel de bodem ingeslagen toen de Britten in 1920 het mandaat over Palestina kregen en de Arabieren hun beloofde onafhankelijkheid werd onthouden.

Het Britse mandaat (1920-1947)

Onder het Britse mandaat immigreerden grote groepen Joden naar Palestina. Zij kochten met steun van het Joodse Nationale Fonds landbouwgrond van Arabische grootgrondbezitters, waardoor de lokale Arabische pachtboeren vaak hun land en inkomsten kwijtraakten. Veel Joodse pioniers vestigden zich in kibboetsiem (enkelvoud: kibboets), socialistische landbouwgemeenschappen gebaseerd op gelijkheid en gemeenschappelijk eigendom. De Joodse gemeenschap organiseerde zich uitstekend. Ze richtten het Joods Agentschap op (een schaduwregering), de vakbond Histadroet, de politieke partij Mapai onder leiding van David Ben Goerion, en een eigen defensiemacht genaamd de Hagana (1920). De Arabische bevolking was nauwelijks georganiseerd en raakte steeds meer gefrustreerd door de Joodse immigratie en de opkomst van het Arabisch nationalisme in de regio. Toen in 1933 Adolf Hitler in Duitsland aan de macht kwam en de Jodenvervolging begon, nam de immigratie naar Palestina explosief toe. Tussen 1933 and 1936 verdubbelde de Joodse bevolking in Palestina. Dit leidde in 1936 tot een bloedige Arabische opstand en burgeroorlog. De Britse Peel-commissie (1937) concludeerde dat Joden and Arabieren niet samen in één land konden leven en stelde een verdeling van Palestina voor. De zionisten stemden hiermee in, maar de Arabieren wezen het resoluut af. Om de Arabische wereld te vriend te houden met het oog op de naderende Tweede Wereldoorlog (waarin olietoevoer cruciaal was), publiceerden de Britten in 1939 een Witboek. Hierin werd de Joodse immigratie drastisch beperkt tot 15.000 mensen per jaar en werd gezamenlijk zelfbestuur binnen tien jaar beloofd. Voor de Joden die Europa probeerden te ontvluchten, was dit een enorme catastrofe.

De Holocaust

Tijdens de Tweede Wereldoorlog vochten zionistische groepen mee met de Geallieerden tegen nazi-Duitsland. Na de oorlog werd de wereld geconfronteerd met de verschrikkingen van de Holocaust: de systematische genocide waarbij de nazi's zes miljoen Europese Joden hadden vermoord. De morele schok in het Westen was gigantisch. Westerse politici voelden zich schuldig over hun passiviteit. Voor de overlevende Joden, die vaak al hun bezittingen en familie kwijt waren, was de stichting van een eigen Joodse staat in Palestina de enige weg naar veiligheid.

De stichting van de staat Israël

De Britten hielden echter vast aan de immigratiebeperkingen en konden de orde in Palestina niet langer handhaven door toenemende Joodse guerrilla-acties en illegale immigratieschepen. In 1947 droeg Groot-Brittannië het mandaat over aan de Verenigde Naties (VN). De VN stelde een verdelingsplan voor waarbij Palestina werd opgedeeld in een Joodse staat (52% van het grondgebied) en een Arabische staat (48%), met een geïnternationaliseerd Jeruzalem. De zionisten accepteerden dit plan, maar de Arabische landen wezen het af, waarna direct een burgeroorlog uitbrak. Tijdens de gevechten vonden wrede acties plaats van beide kanten, zoals de massamoord op Arabische burgers in het dorp Deir Yassin door extremistische Joodse commando's in april 1948. Dit veroorzaakte een enorme vluchtelingengolf onder de Arabische bevolking. Op 14 mei 1948 riep David Ben Goerion de onafhankelijke staat Israël uit. Direct na het vertrek van de Britten op 15 mei verklaarden de Arabische buurlanden Israël de oorlog. De slecht getrainde Arabische legers verloren de oorlog van de gemotiveerde en goed georganiseerde Israëli's. Bij de wapenstilstand van 1949 had Israël meer grondgebied veroverd dan het VN-plan had voorzien, inclusief West-Jeruzalem en de Negev-woestijn. De Gazastrook kwam onder Egyptisch bestuur en de Westelijke Jordaanoever onder Transjordanië (het latere Jordanië). Deze oorlog leidde tot een vluchtelingenstroom van 500.000 tot 750.000 Palestijnse Arabieren, die sindsdien Palestijnen worden genoemd. Zij kwamen terecht in erbarmelijke opvangkampen en waren voor hulp afhankelijk van de VN-organisatie UNRWA. De Arabische buurlanden weigerden de staat Israël te erkennen en gebruikten de vluchtelingen als propagandawapen.

Israël consolideert zich en de Arabische reactie

Consolidering van de Joodse staat

Israël wist zich te midden van een vijandige omgeving te handhaven. Door de 'Wet op de Terugkeer' kregen alle Joodse immigranten automatisch het staatsburgerschap. Tussen 1948 en 1951 verdubbelde de bevolking. Een derde van de inwoners bestond uit overlevenden van de Holocaust. De herinnering hieraan werd een belangrijk onderdeel van de nationale identiteit, gesymboliseerd door het herdenkingscentrum Yad Vashem en het geruchtmakende proces in 1961 tegen de nazi-oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann, die door de Israëlische geheime dienst, de Mossad, uit Argentinië was ontvoerd en in Jeruzalem ter dood werd veroordeeld. Binnen de Joodse bevolking ontstonden echter ook breuklijnen:

De tegenstelling tussen de Asjkenazim (Joden van Europese herkomst, die de politieke elite vormden) en de Sefardim (Joden uit Arabische landen en Zuid-Europa, die vaak een hardere lijn tegenover de Arabische buurlanden voorstonden).

De spanning tussen orthodoxe gelovigen (die vrijgesteld waren van de verplichte militaire dienst om heilige geschriften te bestuderen) en seculiere Joden.

Om te overleven werd Israël een tot de tanden gewapende natie met een strenge dienstplicht voor zowel mannen (drie jaar) als vrouwen (twee jaar). De Arabische Israëli's (ongeveer 20% van de bevolking) kregen wel burgerrechten, maar werden uitgesloten van militaire dienst en veel voorzieningen, waardoor zij zich vaak tweederangsburgers voelden.

Nasser en het Arabisch nationalisme

In de Arabische wereld leidde de nederlaag van 1948 tot diepe vernedering. In Egypte greep in 1952 een groep militairen de macht en zette de Britsgezinde koning Faroek af. Kolonel Gamal Abdel Nasser ontpopte zich als de sterke man en president. Nasser werd de belichaming van het Arabisch nationalisme en het Arabisch socialisme: hij streefde naar Arabische eenheid, voerde landhervormingen door om arme boeren te helpen, en nationaliseerde grote bedrijven. Hij verklaarde de strijd aan het westerse imperialisme en aan aartsvijand Israël. Tijdens de Koude Oorlog zocht Nasser steun bij de Sovjet-Unie, die vanaf 1955 wapens leverde aan Egypte. Israël was daarentegen militair en financieel volledig afhankelijk van de Verenigde Staten. Het Arabisch socialisme en nationalisme kregen ook voet aan de grond in Syrië en Irak via de seculiere Baath-partij (wat 'wederopleving' betekent). In Syrië greep de Baath-partij in 1963 de macht, vanaf 1970 geleid door dictator Hafez al-Assad. In Irak greep de partij in 1968 de macht onder leiding van Hasan al-Bakr en Saddam Hoessein. Ondanks de gedeelde Baath-ideologie bleef de Arabische wereld diep verdeeld door onderlinge rivaliteit. De Arabische Liga (opgericht in 1945) bleek machteloos; het enige bindmiddel was de gezamenlijke haat tegen Israël.

Drie grote oorlogen en de Camp Davidakkoorden

Het conflict tussen Israël en de Arabische wereld escaleerde in drie grote oorlogen:

1.De Suezcrisis (1956): President Nasser nationaliseerde het Suezkanaal om de bouw van de Aswandam te financieren. Groot-Brittannië en Frankrijk smeedden een geheim complot met Israël. Israël viel Egypte aan in de Sinaï-woestijn, waarna de Britten en Fransen het kanaal bezetten. Onder zware druk van zowel de Verenigde Staten (die vreesden voor een nucleair conflict met de Sovjet-Unie) als de Sovjet-Unie moesten de drie landen zich echter terugtrekken. Nasser werd de grote held van de dekolonisatie en de Arabische wereld.

Kaart van het Suezkanaal in Egypte, de strategische waterweg die leidde tot de Suezcrisis van 1956.
Kaart van het Suezkanaal in Egypte, de strategische waterweg die leidde tot de Suezcrisis van 1956.

2.De Zesdaagse Oorlog (1967): Na toenemende grensincidenten, de mobilisatie van het Egyptische leger en de blokkade van de Golf van Aqaba door Nasser, voerde Israël op 5 juni 1967 een preventieve luchtaanval uit. Binnen zes dagen versloeg Israël de legers van Egypte, Jordanië en Syrië. Israël veroverde de Sinaï-woestijn en de Gazastrook op Egypte, de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem op Jordanië, en de Golanhoogte op Syrië. De verovering van Oost-Jeruzalem met de Klaagmuur had een enorme religieuze betekenis voor Joden, maar was onverteerbaar voor moslims. De VN-Veiligheidsraad nam Resolutie 242 aan, die opriep tot Israëlische terugtrekking in ruil voor erkenning en vrede (het principe 'land voor vrede'). De Arabische landen weigerden echter elke onderhandeling of erkenning.

3.De Jom Kippoeroorlog (1973): Op de joodse feestdag Jom Kippoer voerden Egypte (onder de nieuwe president Anwar Sadat) en Syrië een verrassingsaanval uit op Israël. Na aanvankelijke Arabische successen wist Israël met behulp van een Amerikaanse luchtbrug de situatie te keren. De Sovjet-Unie dreigde met nucleair ingrijpen om haar Arabische bondgenoten te beschermen, waarna de VS een wapenstilstand afdwong. Tijdens deze oorlog gebruikten de Arabische landen olie als politiek wapen. De drastische prijsverhogingen en olieboycot leindent wereldwijd tot een economische crisis en een omslag in de wereldopinie ten nadele van Israël.

In 1979 sloten Egypte en Israël onder leiding van de Amerikaanse president Jimmy Carter de Camp Davidakkoorden. Egypte erkende Israël en kreeg de Sinaï-woestijn terug. Dit was een succes voor het 'land voor vrede'-principe, maar Sadat werd door de Arabische wereld als verrader gezien en in 1981 door radicale islamieten vermoord. In Israël leidde de overwinning van de rechtse Likoed-partij onder Menachem Begin in 1977 tot een actieve politiek van het bouwen van Joodse nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever (door orthodoxe Joden aangeduid met de Bijbelse namen Judea en Samaria). Dit ondermijnde de kansen op een vreedzame oplossing en beperkte de levensruimte van de Palestijnen.

Palestijnse organisaties en de Intifada

Na de nederlaag van 1967 verloren de Palestijnen het vertrouwen in de Arabische regeringen en namen zij de strijd in eigen hand. In 1964 werd de PLO (Palestinian Liberation Organization) opgericht, vanaf 1969 geleid door Yasser Arafat (leider van de guerrillaorganisatie El-Fatah). De PLO streefde naar een onafhankelijke Palestijnse staat via gewapende strijd. Dit leidde tot vliegtuigkapingen en bloedige terreuracties, zoals de gijzeling en moord op elf Israëlische atleten tijdens de Olympische Spelen in München (1972). Nadat de PLO in 1970 met geweld uit Jordanië was verdreven (Zwarte September), vestigde de organisatie zich in Libanon. In 1987 brak in de bezette gebieden spontaan de Intifada uit: een volksopstand waarbij jonge Palestijnen met stenen gooiden naar zwaarbewapende Israëlische soldaten. De harde Israëlische reactie werd wereldwijd via de media verspreid, wat leidde tot een mediaoorlog en internationale sympathie voor de Palestijnse zaak. Onder druk van deze ontwikkelingen probeerde Arafat de PLO om te vormden tot een politieke beweging en verklaarde hij bereid te zijn de staat Israël te erkennen in ruil voor een Palestijnse staat op de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook.

De revolutie in Iran en de opkomst van het moslimfundamentalisme

De Islamitische Revolutie in Iran (1979)

Iran is een sjiitische grootmacht in het Midden-Oosten (historisch bekend als Perzië). Vanaf 1941 werd het land geregeerd door de prowesterse sjah Mohammed Reza Pahlavi. Met steun van de Verenigde Staten voerde hij moderniseringen door op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg en vrouwenrechten. De sjah onderdrukte echter alle politieke oppositie met behulp van zijn gevreesde geheime politie, de Savak. De conservatieve sjiitische geestelijkheid, geleid door de verbannen ayatollah Ruhollah Khomeini, verzette zich fel tegen de secularisering and verwestersing van de samenleving. In 1978 leidde de onvrede tot een massale volksopstand, waarna de sjah begin 1979 het land ontvluchtte. Khomeini keerde terug en stichtte een islamitische republiek gebaseerd op de sjiitische islam. Deze revolutie was uniek omdat het een conservatieve omwenteling was, gericht op het moslimfundamentalisme (of fundamentalisme): het terugkeren naar de zuivere bronnen van de islam en het inrichten van de staat volgens de sharia. Alle westerse hervormingen werden teruggedraaid, de zedenpolitie handhaafde strenge kledingvoorschriften (zoals de verplichte chador voor vrouwen), en alcohol en bioscopen werden verboden. Toen de VS weigerde de sjah uit te leveren, gijzelden fundamentalisten het Amerikaanse ambassadepersoneel in Teheran gedurende 444 dagen, wat leidde tot een langdurige vijandschap met 'de grote satan' (de VS). In 1989 vaardigde Khomeini een fatwa (doodvonnis) uit tegen de Britse schrijver Salman Rushdie vanwege diens boek De Duivelsverzen, wat de kloof met het Westen verder vergrootte.

Sjiieten en soennieten

De revolutie bracht de eeuwenoude splitsing binnen de islam in beeld. Na de dood van de profeet Mohammed in 632 ontstond een opvolgingsstrijd tussen de volgelingen van Ali (de neef en schoonzoon van Mohammed, die de sjiieten werden genoemd) en de soennieten (die de soenna volgden). Na de moord op Ali en de onthoofding van zijn zoon Hoessein in 680 ontwikkelden de sjiieten een cultuur van martelaarschap en de hoop op de komst van een verlosser (de Mahdi). Hoewel 90% van de moslims wereldwijd soennitisch is, vormen de sjiieten de meerderheid in Iran en Irak.

Het fundamentalisme in de regio

Het succes van de Iraanse revolutie inspireerde het islamisme (politieke islam) in de hele regio. Dit fundamentalisme vond een vruchtbare voedingsbodem in de armoede, corruptie en het gebrek aan sociale voorzieningen onder de seculiere Arabische dictators.

Turkije: Ondanks de seculiere erfenis van Atatürk groeide de aanhang van islamitische partijen. In 2002 kwam de islamitische partij AKP aan de macht onder leiding van Recep Tayyip Erdogan. Hoewel hij aanvankelijk gematigd leek, kwam de seculiere erfenis steeds meer onder druk te staan. Dit leidde in 2013 tot hevige protesten van jongeren en intellectuelen tegen zijn autoritaire en islamiserende regeerstijl.

Egypte: Sinds 1928 was de Moslimbroederschap actief om westerse invloeden te bestrijden onder het motto: "Islam is de oplossing". Ondanks zware onderdrukking door president Nasser bouwde de broederschap een groot sociaal netwerk op onder de armen. De belangrijkste ideoloog, Sayyid Qutb (1906-1966), ontwikkelde een diepe afkeer van het westerse materialisme en morele verval. Hij pleitte voor een terugkeer naar de zuivere islamitische waarden en stelde dat het liquideren van seculiere leiders die het geloof verloochenden moreel toegestaan was. Qutb werd in 1966 onder het regime van Nasser geëxecuteerd, maar zijn ideeën bleven een enorme inspiratiebron voor fundamentalisten wereldwijd.