Het werkwoord 'faire'

Het werkwoord 'faire'

Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 15:05
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Oefenen
Enkele keuze

Welk van de volgende is de juiste vervoeging van het onregelmatige werkwoord faire in de futur simple?

De volgende zin betekent “Morgen zal hij een taart maken.”

Samenvatting

Het werkwoord 'faire'

In deze samenvatting wordt het Franse werkwoord faire behandeld, wat 'doen' of 'maken' betekent, in verschillende tijden: de présent, passé composé, imparfait, futur proche, futur simple, en de conditionnel. We zullen de vervoegingen en het gebruik van faire in elke tijd bespreken, samen met enkele handige tips en voorbeeldzinnen.

Leerdoelen

Ik ken de verschillende werkwoordstijden 

Ik weet hoe ik het werkwoord ‘faire’ moet vervoegen in de 

présent

passé composé 

imparfait

futur proche

futur simple

conditionnel

Ik kan oefenen met een paar simpele zinnetjes. 

Présent (tegenwoordige tijd)

In de présent gebruik je faire om aan te geven wat je nu doet of maakt. Hier zijn de vervoegingen:

Je fais
Ik doe/maak
Tu fais
Jij doet/maakt
Il/Elle/On fait
Hij/Zij/Men doet/maakt
Nous faisons
Wij doen/maken
Vous faites
Jullie doen/maken OF U doet/maakt
Ils/Elles font
Zij doen/maken

💡Tip: Let op de afwijkende vorm bij ‘vous faites’. Dit is een uitzondering die je moet onthouden.

Voorbeeldzinnen:

Je fais mes devoirs. (Ik maak mijn huiswerk.)

On fait de la musique. (Wij maken muziek.)

Passé composé (voltooid tegenwoordige tijd)

De passé composé gebruik je voor afgeronde gebeurtenissen in het verleden. Het bestaat uit een hulpwerkwoord (avoir) en het voltooid deelwoord van faire.

Je ai (J'ai) fait
Ik heb gedaan/gemaakt
Tu as fait
Jij hebt gedaan/gemaakt
Il/Elle/On a fait
Hij/Zij/Men heeft gedaan/gemaakt
Nous avons fait
Wij hebben gedaan/gemaakt
Vous avez fait
Jullie hebben gedaan/gemaakt OF U heeft gedaan/gemaakt
Ils/Elles ont fait
Zij hebben gedaan/gemaakt

💡Tip: Gebruik het rijtje van avoir als hulpwerkwoord.

Voorbeeldzin:

Nous avons fait une promenade. (Wij hebben een wandeling gemaakt.)

Imparfait (onvoltooid verleden tijd)

De imparfait gebruik je voor gewoontes of beschrijvingen in het verleden.

Je faisais
Ik deed/maakte
Tu faisais
Jij deed/maakte
Il/Elle/On faisait
Hij/Zij/Men deed/maakte
Nous faisions
Wij deden/maakten
Vous faisiez
Jullie deden/maakten OF U deed/maakte
Ils/Elles faisaient
Zij deden/maakten
Uitleg over de vervoeging van 'faire' in de imparfait.
Uitleg over de vervoeging van 'faire' in de imparfait.

💡Tip: De stam van de imparfait komt van de nous-vorm in de présent (nous faisons).

Voorbeeldzin:

Ils faisaient du jogging. (Zij deden aan joggen.)

Futur proche (nabije toekomst)

De futur proche gebruik je voor acties die binnenkort gaan gebeuren.

Je vais faire
Ik ga doen/maken
Tu vas faire
Jij gaat doen/maken
Il/Elle/On va faire
Hij/Zij/Men gaat doen/maken
Nous allons faire
Wij gaan doen/maken
Vous allez faire
Jullie gaan doen/maken OF U gaat doen/maken
Ils/Elles vont faire
Zij gaan doen/maken

💡Tip: Gebruik het werkwoord aller in de présent gevolgd door het hele werkwoord faire. Zorg dus dat je de vervoeging van dit werkwoord ook goed weet!

Voorbeeldzin:

Vous allez faire du vélo. (U gaat fietsen.)

Futur simple (toekomende tijd)

De futur simple gebruik je voor acties die verder in de toekomst liggen.

Je ferai
Ik zal doen/maken
Tu feras
Jij zult doen/maken
Il/Elle/On fera
Hij/Zij/Men zal doen/maken
Nous ferons
Wij zullen doen/maken
Vous ferez
Jullie zullen doen/maken OF U zult doen/maken
Ils/Elles feront
Zij zullen doen/maken
Uitleg over de vervoeging van 'faire' in de futur simple.
Uitleg over de vervoeging van 'faire' in de futur simple.

💡Tip: De stam is 'fer' en de uitgangen komen overeen met die van avoir.

Voorbeeldzin:

Nous ferons une promenade. (Wij zullen een wandeling maken.)

Conditionnel (voorwaardelijke wijs)

De conditionnel gebruik je voor hypothetische situaties.

Je ferais
Ik zou doen/maken
Tu ferais
Jij zou doen/maken
Il/Elle/On ferait
Hij/Zij/Men zou doen/maken
Nous ferions
Wij zouden doen/maken
Vous feriez
Jullie zouden doen/maken OF U zou doen/maken
Ils/Elles feraient
Zij zouden doen/maken
Uitleg over de vervoeging van 'faire' in de conditionnel.
Uitleg over de vervoeging van 'faire' in de conditionnel.

💡Tip: De stam is hetzelfde als bij de futur simple, maar de uitgangen zijn die van de imparfait.

Voorbeeldzin:

Vous feriez du vélo. (U zou fietsen.)

Veelgestelde vragen
Bekijk ook
4,8

Voeg je bij ruim 80.000 leerlingen die al leren met JoJoschool

Helemaal compleet!

Alle informatie die ik voor mijn toetsen moet kennen is aanwezig, de powerpoints zijn duidelijk en makkelijk te begrijpen. De opdrachten passen altijd goed bij het onderwerp en ondersteunen goed bij het leren. JoJoschool is erg overzichtelijk voor mij!

Heel overzichtelijk

Ik gebruik het nu voor Biologie, het werkt ontzettend goed, het is heel overzichtelijk en alles wordt behandeld. Hoog rendement haal ik met leren, geen langdradige verhalen, maar ook niet te moeilijk. Het houdt ook automatisch bij hoe ver je bent.

Beter dan YouTube

Het is voor mij een erg goede manier om de leerstof voor toetsen te begrijpen. De video’s zijn een stuk duidelijker en beter dan de meeste video’s op YouTube.

Waarom kies je voor JoJoschool?

Hoger scoren

86% van onze leerlingen zegt hoger te scoren.

Betaalbaar en beter

Een alternatief op dure bijles, altijd uitgelegd door bevoegde docenten.

Sneller begrijpen

83% van onze leerlingen zegt onderwerpen sneller te begrijpen.

Ontdek JoJoschool 🎁

Met ons overzichtelijke platform vol met lessen en handige tools heb je alles voor school binnen handbereik. Maak je account aan en ervaar het zelf!

“Door JoJoschool kan ik makkelijker en beter leren” - Anne, 3 havo