Het werkwoord ‘dire’
In deze les van JoJoSchool gaan we dieper in op het Franse werkwoord dire, wat ‘zeggen’ betekent. We behandelen de vervoegingen in de présent, passé composé, imparfait, futur proche, futur simple en de conditionnel. Hieronder vind je een overzicht van de vervoegingen en hoe je ze kunt toepassen in zinnen.
Leerdoelen
•Ik ken de verschillende werkwoordstijden
•Ik weet hoe ik het werkwoord ‘dire’ moet vervoegen in de
•présent
•passé composé
•imparfait
•futur proche
•futur simple
•conditionnel
•Ik kan oefenen met een paar simpele zinnetjes.
Présent (tegenwoordige tijd)
In de présent gebruik je dire om aan te geven wat iemand op dit moment zegt.
Frans | Nederlands |
|---|---|
je dis | ik zeg |
tu dis | jij zegt |
il/elle/on dit | hij/zij/men zegt |
nous disons | wij zeggen |
vous dites | jullie/u zegt |
ils/elles disent | zij zeggen |
💡Tip: Let op de onregelmatigheid bij "vous dites". Dit wijkt af van de gebruikelijke patronen en moet je uit je hoofd leren.
Voorbeeldzinnen:
•Je dis au revoir. (Ik zeg tot ziens.)
•On dit que le film est super. (Men zegt dat de film super is.)
Passé composé (voltooid tegenwoordige tijd)
De passé composé gebruik je voor afgeronde gebeurtenissen in het verleden.
Frans | Nederlands |
|---|---|
j'ai dit | ik heb gezegd |
tu as dit | jij hebt gezegd |
il/elle/on a dit | hij/zij/men heeft gezegd |
nous avons dit | wij hebben gezegd |
vous avez dit | jullie/u heeft gezegd |
ils/elles ont dit | zij hebben gezegd |
💡Tip: Gebruik het hulpwerkwoord "avoir" en voeg "dit" toe zonder extra letters, ongeacht geslacht of aantal.
Voorbeeldzinnen
•J'ai dit au revoir. (Ik heb tot ziens gezegd.)
•Ils ont dit la vérité. (Zij hebben de waarheid gezegd.)
Imparfait (onvoltooid verleden tijd)
De imparfait gebruik je voor beschrijvingen of gewoontes in het verleden.
Frans | Nederlands |
|---|---|
je disais | ik zei |
tu disais | jij zei |
il/elle/on disait | hij/zij/men zei |
nous disions | wij zeiden |
vous disiez | jullie/u zei |
ils/elles disaient | zij zeiden |

💡Tip: Begin met de "nous"-vorm van de présent (nous disons), verwijder "ons" en voeg de imparfait-uitgangen toe.
Voorbeeldzinnen
•Je disais au revoir chaque lundi. (Ik zei elke maandag tot ziens.)
•Nous disions bonjour. (Wij zeiden hallo.)
Futur proche (nabije toekomst)
De futur proche gebruik je voor acties die binnenkort gaan plaatsvinden.
Frans | Nederlands |
|---|---|
je vais dire | ik ga zeggen |
tu vas dire | jij gaat zeggen |
il/elle/on va dire | hij/zij/men gaat zeggen |
nous allons dire | wij gaan zeggen |
vous allez dire | jullie/u gaat zeggen |
ils/elles vont dire | zij gaan zeggen |
💡Tip: Gebruik de vervoegingen van "aller" in de présent en voeg het hele werkwoord "dire" toe.
Voorbeeldzinnen
•Je vais dire au revoir tout à l'heure. (Ik ga zo tot ziens zeggen.)
•Ils vont dire la vérité. (Zij gaan de waarheid zeggen.)
Futur simple (toekomende tijd)
De futur simple gebruik je voor acties die in de toekomst zullen plaatsvinden.
Frans | Nederlands |
|---|---|
je dirai | ik zal zeggen |
tu diras | jij zult zeggen |
il/elle/on dira | hij/zij/men zal zeggen |
nous dirons | wij zullen zeggen |
vous direz | jullie/u zult zeggen |
ils/elles diront | zij zullen zeggen |
💡Tip: Gebruik de stam "dir" (zonder de "e") en voeg de uitgangen van "avoir" toe.
Voorbeeldzinnen
•Je dirai la vérité un jour. (Ik zal op een dag de waarheid zeggen.)
•Nous dirons quelque chose plus tard. (Wij zullen later iets zeggen.)
Conditionnel (voorwaardelijke wijs)
De conditionnel gebruik je voor hypothetische situaties of beleefde verzoeken.
Frans | Nederlands |
|---|---|
je dirais | ik zou zeggen |
tu dirais | jij zou zeggen |
il/elle/on dirait | hij/zij/men zou zeggen |
nous dirions | wij zouden zeggen |
vous diriez | jullie/u zou zeggen |
ils/elles diraient | zij zouden zeggen |
Voorbeeldzinnen
•Je dirais quelque chose si j'étais toi. (Ik zou iets zeggen als ik jou was.)
•Ils diraient oui à l'invitation. (Zij zouden ja zeggen op de uitnodiging.)












