Het werkwoord ‘dormir’
In deze samenvattingen wordt het werkwoord dormir (slapen) in diverse werkwoordstijden behandeld. De volgende werkwoordstijden worden behandeld: présent, passé composé, imparfait, futur proche, futur simple en de conditionnel.
Leerdoelen
•Ik ken de verschillende werkwoordstijden
•Ik weet hoe ik het werkwoord ‘dormir’ moet vervoegen in de
•présent
•passé composé
•imparfait
•futur proche
•futur simple
•conditionnel
•Ik kan oefenen met een paar simpele zinnetjes.
Présent (tegenwoordige tijd)
Dormir betekent ‘slapen’. In de présent vervoegen we het als volgt:
Frans | Nederlands |
|---|---|
Je dors | Ik slaap |
Tu dors | Jij slaapt |
Il/Elle/On dort | Hij/Zij/Men slaapt |
Nous dormons | Wij slapen |
Vous dormez | Jullie slapen/ U slaapt |
Ils/Elles dorment | Zij slapen |
💡Tip: Let op de eindletters van de vervoegingen. De je- en tu-vormen eindigen vaak op een s.
Voorbeeldzinnen:
•Je dors beaucoup chaque nuit. (Ik slaap elke nacht veel.)
•On dort souvent dans un lit confortable. (Men slaapt vaak in een comfortabel bed.)
•Tu dors bien pendant de week? (Slaap jij goed tijdens de week?)
Passé composé (voltooid tegenwoordige tijd)
De passé composé gebruik je voor korte, afgeronde gebeurtenissen in het verleden. Voor dormir heb je het hulpwerkwoord avoir nodig:
Frans | Nederlands |
|---|---|
J'ai dormi | Ik heb geslapen |
Tu as dormi | Jij hebt geslapen |
Il/Elle/On a dormi | Hij/Zij/Men heeft geslapen |
Nous avons dormi | Wij hebben geslapen |
Vous avez dormi | Jullie hebben geslapen/ U heeft geslapen |
Ils/Elles ont dormi | Zij hebben geslapen |
💡Tip: Oefen het werkwoord avoir goed!
Voorbeeldzinnen:
•J'ai dormi beaucoup la nuit dernière. (Ik heb veel geslapen afgelopen nacht.)
•Ils n'ont pas dormi hier soir. (Zij hebben gisteravond niet geslapen.)
Imparfait (onvoltooid verleden tijd)
De imparfait gebruik je voor vage, beschrijvende of herhaalde acties in het verleden:
Frans | Nederlands |
|---|---|
Je dormais | Ik sliep |
Tu dormais | Jij sliep |
Il/Elle/On dormait | Hij/Zij/Men sliep |
Nous dormions | Wij sliepen |
Vous dormiez | Jullie/U sliep |
Ils/Elles dormaient | Zij sliepen |

💡Tip: Begin met de nous-vorm van de présent (nous dormons), verwijder -ons en voeg de imparfait-uitgangen toe.
Voorbeeldzinnen:
•Je dormais beaucoup quand j'étais petit. (Ik sliep veel toen ik klein was.)
•Nous dormions toujours dans un hôtel tijdens de vakanties. (Wij sliepen altijd in een hotel tijdens de vakanties.)
Futur proche (nabije toekomst)
Deze tijd gebruik je voor acties die binnenkort plaatsvinden. Het wordt gevormd met het werkwoord aller:
Frans | Nederlands |
|---|---|
Je vais dormir | Ik ga slapen |
Tu vas dormir | Jij gaat slapen |
Il/Elle/On va dormir | Hij/Zij/Men gaat slapen |
Nous allons dormir | Wij gaan slapen |
Vous allez dormir | Jullie/U gaat slapen |
Ils/Elles vont dormir | Zij gaan slapen |
💡Tip: Het is bijna hetzelfde als in het Nederlands; onthoud het basisrijtje van aller.
Voorbeeldzinnen:
•Je vais dormir beaucoup ce week-end. (Ik ga veel slapen dit weekend.)
•Vous allez dormir souvent cette semaine? (Gaat u vaak slapen deze week?)
Futur simple (toekomende tijd)
De futur simple gebruik je voor acties in de verre toekomst:
Frans | Nederlands |
|---|---|
Je dormirai | Ik zal slapen |
Tu dormiras | Jij zult slapen |
Il/Elle/On dormira | Hij/Zij/Men zal slapen |
Nous dormirons | Wij zullen slapen |
Vous dormirez | Jullie/U zal slapen |
Ils/Elles dormiront | Zij zullen slapen |
💡Tip: Gebruik het hele werkwoord dormir als stam en voeg de uitgangen van avoir toe.
Voorbeeldzinnen:
•Je dormirai beaucoup après de examens. (Ik zal veel slapen na de examens.)
•Ils ne dormiront pas pendant de reis. (Zij zullen niet slapen tijdens de reis.)
Conditionnel (voorwaardelijke wijs)
Gebruik de conditionnel voor hypothetische situaties:
Frans | Nederlands |
|---|---|
Je dormirais | Ik zou slapen |
Tu dormirais | Jij zou slapen |
Il/Elle/On dormirait | Hij/Zij/Men zou slapen |
Nous dormirions | Wij zouden slapen |
Vous dormiriez | Jullie/U zou slapen |
Ils/Elles dormiraient | Zij zouden slapen |
💡Tip: Gebruik dezelfde stam als de futur simple (het hele werkwoord) en voeg de imparfait-uitgangen toe.
Voorbeeldzinnen:
•Je dormirais beaucoup si j'avais plus tijd. (Ik zou veel slapen als ik meer tijd had.)
•Nous dormirions dans un hôtel si nous konden. (Wij zouden in een hotel slapen als we konden.)













